Sevilla Gids

septiembre 14th, 2017 por Ana María Rodríguez

Cultuurhistorisch toerisme

1

Cultuur in Sevilla

In een gastvrije en vrolijke stad als Sevilla spelen cultuur en vertier een belangrijke rol en er zijn dan ook ontelbare mogelijkheden om te genieten van de vrije tijd. Op de culturele agenda vinden we een grote aanbod van spektakels, theater, opera, muziek, dans, flamenco en tentoonstellingen.

Sevilla kan je verder niet in één dag leren kennen, drieduizend jaar geschiedenis hebben deze stad een indrukwekkende lijst monumenten nagelaten. Sevilla is de Spaanse stad met het meest aantal vermeldingen op de lijst met Werelderfgoed. Het is een groot openluchtmuseum waarin de verschillende stijlen in elkaar overvloeien. Op de eindeloze monumentenlijst vermelden we enkele hoogtepunten om hun schoonheid of omwille van de symbolische waarde. de gotische kathedraal, de Giralda, Reales Alcazares, Torre del Oro, Plaza de España, Archivo de Indias, het Archeologisch Museum, een van de belangrijkste in Spanje, het Museum voor Volkskunde en Tradities, het Andalusisch Centrum voor Hedendaagse Kunst, zetel van de Eerste Editie van de Biënnale voor Hedendaagse Kunst in Sevilla, en het bewijs van de ernst waarmee deze stad met kunst en vernieuwing omgaat, het Museum voor Schone Kunsten, na het Prado in Madrid de tweede belangrijkste collectie van het land. De bezoeker kan verder ook genieten van de meest uiteenlopende kunstvormen en van een groot aantal tijdelijke tentoonstellingen die het hele jaar door te bezichtigen zijn in grote tentoonstellingsruimten en de kleinere privé kunstgalerieën. En vergeten we vooral niet de kunstschatten, vaak van onschatbare waarde, die bewaard worden in de vele kerken en kloosters van de stad.

Bienal de Arte Flamenca

In de herfst wordt de Biënnale van de Flamenco georganiseerd, in 2004, bij de dertiende editie, bestond het festival al 25 jaar. Het is het belangrijkste flamencofestival ter wereld en meer dan een maand lang treden de beste flamencokunstenaars op in alle hoeken en op alle podia van deze stad, beschouwd als de wieg van de flamenco.

Hier kunt u de meest gevierde zangers, dansers en muzikanten aan het werk zien. En natuurlijk ook de grootste beloften. Maar in Sevilla, het wereldcentrum van “el jondo”, kan u het hele jaar door genieten van de beste flamenco; in de vele flamencozalen van de stad kan u bijna dagelijks de beste artiesten van dit moment

zien optreden. In het centrum van de stad vindt u ook het enige museum dat uitsluitend gewijd is aan de flamencodans, opgericht door de danseres Cristina Hoyos.

Sevilla en de filmkunst

Al sinds enkele jaren wordt de stad tijdens het Filmfestival van Sevilla enkele dagen het epicentrum van de hedendaagse Europese film. Iedere editie stelt interessante premières voor aan het publiek, in de herfst lijkt de stad enkele dagen lang een grote bioscoop waar ongeveer 100 Europese films gedraaid worden. Parallelle acti viteiten zoals seminaries, conferenties, huldebetoon aan acteurs en regisseurs, en de uitreiking van prijzen zijn de grootste attracties van dit festival dat ieder jaar meer succes kent. De relatie tussen Sevilla en de zevende kunst gaat nog verder, prestigieuze directeurs draaien hun films met Sevilla als achtergrond, de stad vormt dan ook een bijzonder aantrekkelijk en monumentaal decor. Voeg daarbij ook nog de vlotte medewerking van de betrokken officiële instellingen. Enkele van de scènes uit “Star Wars” bijvoorbeeld werden gefilmd op Plaza de España.

Sevilla en sport

Sevilla heeft al bij herhaalde gelegenheden haar internationaal belang bewezen in de sportwereld. De stad beschikt onder meer over het Estadio de la Cartuja, twee professionele voetbalstadions, verscheidene sporthallen en een Centro de Alto Rendimiento (een topsporttrainingscentrum), etc. Sevilla heeft verder enkele grote internationale sportevenementen georganiseerd, zoals het Wereldkampioenschap Atletiek op overdekte baan in 1991 en het Wereldkampioenschap Atletiek in open lucht in 1999, het Europees kampioenschap Zwemmen in 1997, het wereldkampioenschap Roeien en Kano in 2002, de Wereldbeker golf voor landenteams in november 2004 en de finale van de Davis Cup in december 2004. Een regelrecht succes, Sevilla was te zien in alle huiskamers over de hele wereld!

13

Spektakels

Ook in oktober vullen opera, klassieke muziek, dans en andere spektakels het grootste podium van Spanje: Teatro de la Maestranza. De zaal is dankzij zijn speciale akoestiek heel geschikt voor alle podiumkunsten. Er worden opera’s en muziekconcerten opgevoerd in deze theaterzaal. Heel nauw verbonden met het theater is de Real Orquesta Sinfónica de Sevilla, dat zijn concerten opvoert in dit bijzonder mooie decor. De andere theaterzaal, Lope de Vega, is een klassieke zaal gebouwd naar aanleiding van de Tentoonstelling van 29, waarin de beste acteurs de beste stukken van het moment ten tonele voeren. Teatro Central in Isla de la Cartuja werd gebouwd in 1992 en is een moderne en functionele ruimte geschikt voor alle soorten opvoeringen. Het aanbod podiumkunsten in Sevilla wordt vervolledigd met zalen als La Imperdible, La Alameda, La Fundición o Sala Cero. Ook het openluchttheater Auditorio de la Cartuja met een capaciteit voor meer dan 5.000 toeschouwers, biedt ruimte voor een hele reeks voorstellingen: van opera, muziek en dansvoorstellingen tot hedendaagse muziekconcerten.

De stad en zijn feesten

Ieder jaar in de lente komen de Sevillanen de straat op. In Semana Santa, de Goede Week, komen duizenden Sevillanen naar het centrum van de stad om de broederschappen in processie te zien voorbijgaan op weg naar de Kathedraal. De passieweek kent haar hoogtepunt in de “Madrugá”, de ochtend van Goede Vrijdag wanneer verschillende van de meest populaire broederschappen in processie door het centrum van Sevilla trekken.

Een andere reden om in de lente Sevilla te bezoeken is de befaamde Feria de Abril. Het was oorspronkelijk ee n jaarlijkse veemarkt die is uitgegroeid tot een spectaculair folklorefeest. De Feria begint één of twee weken na Semana Santa en wordt normaal in april gevierd, maar de exacte datum hangt af van de Goede Week. Een hele week lang wonen duizenden Sevillanen in een geïmproviseerde feeststad, gevormd door honderden feesttenten of “casetas”, die netjes in straten opgesteld staan en versierd zijn met honderden kleurrijke lampionnen. Wie ’s morgens de Feria bezoekt, kan genieten van het spektakel van paarden en koetsen, ‘s nachts daarentegen is het volop feest in de “casetas”. Wie de ernst van het stierenvechten verkiest, kan ‘s namiddags terecht in de arena.

Andere feesten

Corpus Christi is een religieus feest dat de Sevillanen aan het einde van de lente met grote devotie vieren, het is een feest met veel barok vertoon dat stamt uit de zestiende en zeventiende eeuw.

De “Velá” de Santiago y Santa Ana wordt eind juli gevierd, aan de andere kant van de rivier, het is een van de tradities die de wijk Triana het beste kenschetsen. Het is een fe est dat overdag al activiteit op zijn programma heeft maar dat vooral in de zachte zomernachten echt op gang trekt. De patroonheilige van de stad, de Virgen de los Reyes, wordt op 15 augustus feestelijk herdacht: bij dageraad komen de gelovigen samen in en rond de Kathedraal, velen komen uit de provincie en anderen onderbreken zelfs hun zomervakantie om dit feest toch maar niet te missen. Al deze lokale feesten hebben door de eeuwen hun tradities tot in de details bewaard en dat doen maar.

15

Gastronomisch toerisme

Gastronomie

Sevilla biedt de bezoeker een breed gamma excellente restaurants aan waarin zowel Andalusische specialiteiten als de Spaanse en internationale keuken aan bod komen, maar voor wie de Sevillaanse gastronomie echt wil leren kennen, raden we aan tapas te proeven. De verklaring van het woord tapa zou komen van de oude gewoonte om een glas wijn af te dekken met een stukje brood of een sneetje jamón serrano of worst en het de klanten op die manier te serveren. Om de Sevillaanse gastronomie echt te leren kennen kan je het beste de grote verscheidenheid aan tapas proeven in de bars en tavernes. Er zijn zelfs kleine winkels “ultramarino” die voedingswaren verkopen maar die ook tapas van fijne vleeswaren of koude delicatessen uit blik serveren. Ook sommige kiosken en de oudste tavernes in de stad hebben ook geen eigenlijke keuken en serveren verschillende koude tapa’s: “picadillos” of “aliños”, zoals koude slaatjes, aardappelsalade, tortilla of sneetjes koud vleesgebraad. Gefrituurde vis is bijna een verplicht menu, vooral gefrituurde ansjovissen, “puntillitas” of minuscule inktvisjes en gemarineerde haai. De beste gefrituurde vis vindt u in de gespecialiseerde “freidurías”, waar de gefrituurde vis in papieren puntzakken en bij het gewicht verkocht wordt om hem thuis of in een café in de buurt op te eten. Een andere groep tapas zijn “cuchareo”, om met een lepel te eten. In kleine pannetjes komt een hartverwarmende schotel op tafel: maaltijdsoepen met witte bonen, kikkererwten met kabeljauw, aardappelen met inktvis, spinazie met kikkererwten Een speciale vermelding voor het reciteren van de tapas: in Sevilla roepen de kelners de namen van de tapas van die dag in plaats van de klanten een menukaart aan te bieden. Het woord “tapeo” verwijst niet alleen naar eten en drinken, het is een vorm van samenzijn met een eigen protocol dat kenners duidelijk omschrijven: de verschillende gerechten dienen in de volgorde van stijgende smaakintensiteit en met voldoende tussentijd te worden geserveerd. Eet nooit meer dan tien tapas en ook niet minder dan vijf. Ga liever niet met een te grote groep tapas eten, vier is genoeg, zo is het gemakkelijker om van de ene bar naar de andere te gaan, er is gauw genoeg plaats voor vier en het is comfortabeler om een gesprek te voeren. Bij tapas hoort een glas wijn: een Jerez, manzanilla of amontillado hoewel een frisse pint in de warme zomers van Sevilla nog het lekkerst is.

Bij het begin van de zomer start ook het seizoen van de gazpacho, een koude soep op basis van tomaten, brood, water, look, pepers, komkommer, olijfolie en azijn die in een glas of een soepbord geserveerd wordt.

De populaire en heel typische “tapeo” neemt niet weg dat Sevilla ook een heel stevig gastronomisch aanbod heeft van diverse soorten restaurants. De Sevillaanse keuken is nauw verbonden met de Andalusische: Typische ingrediënten zijn Jamón Serrano, schaaldieren van de kusten van Cádiz en Huelva, Manchegokaas,… Het is een populaire keuken, gebaseerd op een gemeenschappelijk verleden: olijfolie is een

onontbeerlijk element, de link tussen Sevilla en de mediterrane keuken; de geraffineerde en tolerante Moorse bezetter bracht nieuwe producten naar het land; nog later werden vanuit Amerika nieuwe ingrediënten ingevoerd die heel senl werden opgenomen in de Sevillaanse keuken en in die van de rest van Europa. De Sevillaanse keuken heeft die verschillende invloeden geïntegreerd in een gevarieerde en heel interessante keuken zonder haar oorsprong te verloochenen. Er zijn heel goede restaurants die nationale en internationale faam genieten, met gevarieerde en creatieve spijskaarten gebaseerd op eerste klas producten naast de talrijke

traditionele Sevillaanse gerechten die werden geperfectioneerd of vernieuwd.

Hieronder volgt een lijst met gerechten op de spijskaart van enkele van de plaatselijke restaurants:

• Gefrituurde artisjok met inktvis en gefrituurde bonen.

• Courgette gevuld met heek en garnalen.

• Kabeljauw geparfumeerd met ingemaakte look.

• In de oven gebakken tarbot met aardappelen, laurier en saffraan.

• Gebakken lam met honing, met spinazie- en champignonvulling.

• Warme “torrija” met aroma van Sevillaanse sinaasappelbloesem met kaneelijs, chocolate en anijsdriehoekjes.

Taaltoerisme

Spaans leren

In Sevilla is het goed leven: een aangenaam klimaat met zachte winters en een aangename lente en herfst, en met meer dan 3.000 uren zon per jaar. De Sevillanen  hebben bovendien een heel aparte levensstijl, door velen de “kunst van het goede leven” genoemd. Het zal dan ook niemand verbazen dat Sevilla een cosmopolitische stad is waar mensen van verschillende culturen en afkomstig van de vier windstreken tussen de Sevillanen wonen. Er zijn veel redenen waarom vele bezoekers Sevilla uitkiezen als de ideale plaats om Spaans te leren of hun kennis te perfectioneren, en tegelijk een onvergetelijke ervaring op te doen. De Universteit van Sevilla ontvangt ieder jaar een groot aantal buitenlandse studenten die in Sevilla hun universitaire studies komen vervolmaken en tegelijk Spaans komen studeren. Die groep studenten is helemaal niet onbelangrijk, niet alleen door hun grote aantal maar ook omdat ze een hele generatie “opvoedt” om Spanje en Andalusië als bestemming te kiezen en dat ook te blijven doen in de toekomst. We vinden buitenlandse studenten in alle studierichtingen hoewel de meesten wel Spaans komen studeren. Om aan die vraag te voldoen, organiseren de Andalusische universiteiten het hele jaar door cursussen die duizenden studenten aantrekken.

Spanje is momenteel de Europese bestemming nummer 1 in dit segment. In de Verenigde Staten zijn 27.500 leerkrachten Spaans aan het werk.

Een wandeling door Sevilla

17

In Sevilla kunt uw vrije tijd op veel manieren doorbrengen, u kunt bijvoorbeeld gaan wandelen in Parque María Luísa, de groene long van de stad die met zijn gebouwen in indrukwekkende Mudéjar stijl een van de grootste botanische tuinen ter wereld is; er zijn ook nieuwe en moderne parken zoals Parque Alamillo, of de tu in op El Prado, verder vermelden we de Jardines de Murillo, een Plaats van Cultureel Belang, en de tuinen Catalina de Ribera, alle twee aan de Avenido Menéndez Pelayo. Bij het paleis van Buhaira, liggen de gelijknamige tuinen. U kunt ook per koets een aangename rondrit maken door de mooiste buurten en de meest emblematische wijken, zoals Santa Cruz en Triana om er maar enkele te noemen.

Winkelen in Sevilla

In deze bruisende stad vinden zowel Sevillanen als bezoekers hun gading in de vele winkels en warenhuizen. Een groot aantal straten van het eigenlijke historische stadscentrum hebben nog veel traditionele winkels. Hier vindt u nog zaken gespecialiseerd in hoeden of lederwaren naast de helverlichte etalages van nationale en internationale kledingketens. De populaire Calle Sierpes, het commerciële hart van het centrum, is altijd vol winkelwandelaars. Straatartiesten en –muzikanten geven de parallelle en ook verkeersvrije Calle Tetuán, een heel aparte sfeer. In Barrio Santa Cruz en de omliggende straten vinden toeristen dan weer een groot aantal

souvenirwinkels.

Als tegenpool, en als teken van moderniteit, telt Sevilla ook steeds meer grote winkelcentra waar winkels, restaurants en bioscopen onder een dak te vinden zijn. Grote winkelcentra zijn ook in de moderne wijken als Nervión te vinden , met warenhuizen maar ook juweliers, lingerie- en schoenwinkels, etc. Aan de andere kant van de rivier, naast Triana, ligt Los Remedios, het is een van de stadsdelen met de belangrijkste en meest prestigieuze winkels van Sevilla.

Cultuurhistorische monumenten in Sevilla

De Kathedraal van Sevilla

De Kathedraal van Sevilla is een gotisch monument bij uitstek. Ze staat bekend als Magna Hispalensis, en werd gebouwd in de 15de eeuw op de resten van de Grote Moskee; ze is de derde grootste gotische kerk na de Sint-Pietersbasiliek in Rome en de St.-Paulskathedraal in Londen. Van de vroegere moskee bleven alleen de binnenplaats, de Patio de los Naranjos en de minaret: de Giralda. Honderd en zes jaar duurde de bouw van dit

gotisch juweel, waarvan aan de buitenkant vooral de zes schitterende toegangspoorten opvallen. Het grondplan bestaat uit vijf beuken en vijfentwintig kapellen. In het interieur worden ongeveer 500 kunstwerken van onschatbare waarde bewaard, afkomstig van de meest bloeiende periode van deze stad, met onder meer kunstenaars als Murillo, Zurbarán, Goya en Martínez Montañés. Verder vermelden we ook het groot retabel, het grootste ter wereld, met halfverheven beeldhouwwerk en een opmerkelijk perspectief dat verschillende scènes uit het Oude en het Nieuwe Testament voorstelt. Het koor en de kooromgang met zijn honderd zetels herbergt het beeld van de Onbevlekte Ontvangenis van de hand van Martínez Montañés. In de Capilla Real staat het beeld van Virgen de los Reyes, de Patroonheilige van de stad en het Aartsbisdom, het is een gotisch beeld uit de 13de eeuw dat eigendom was van koning Fernando III “el Santo”, de Patroonheilige van de stad. Diens intacte lichaam ligt opgebaard in de vergulde zilveren lijkkist aan de voeten van het Mariabeeld. Een ander referentiepunt in de kathedraal is het mausoleum met de stoffelijke resten van Christoffel Columbus.

Van maandag tot zaterdag: van 11 – 17.00 u. Op zon- en feestdagen: van 14.30 – 18.00 u.

Toegangsprijs: 7,5 €. Studenten, gepensioneerden, ingezetenen of werklozen: 2 €. Op zondagen gratis.

De Giralda

De Giralda is het symbool van de stad en was oorspronkelijk de minaret van de Grote Moskee van Sevilla. Emir Abu Yakub Yusuf gaf in 1184 opdracht voor de bouw van de minaret hoewel het de emir Abu Yusuf-Al Masur was die de minaret liet afwerken met een kroonverdieping die tijdens de aardbeving van 1356 verloren ging. Tijdens de 16de eeuw kreeg de toren een renaissance lantaarn, samengesteld uit vijf verdiepingen: het klokkenhuis, waarop het terras van de Azucenas rust, el Reloj (uurwerk), el Pozo (waterput), las Estrellas  (sterren) en las Carambolas met daarop de windwijzer die de overwinning van het Geloof voorstelt, een beeld dat beter bekend is als Giraldillo., De Giralda is bijna 100 meter hoog en is aan de buitenkant versierd met reliëfwerk, balkons, en hoefijzervormige ramen onder typische Moorse veelpasbogen. De binnenkant daarentegen is heel eenvoudig: niets meer dan een hellend vlak met 34 etappes waarlangs de oproeper te paard naar boven ging om de gelovigen tot gebed op te roepen. Helemaal boven heeft de bezoeker een enig en indrukwekkend uitzicht over de stad.

Bezoekuren: Van maandag tot zaterdag: van 11 – 17.00 u. Op zon- en feestdagen: van 14.30 – 18.00 u. Toegangsprijs: 7,5 €. Studenten, gepensioneerden, ingezetenen of werklozen: 2 €. Op zondagen gratis.

Palacio Arzobispal

Tegenover de Kathedraal ligt het Aartsbisschoppelijk Paleis. De toegangspoort in laatbarok van het begin van de 18de eeuw, leidt naar twee mooie patio’s in maniëristische stijl, een heel bijzondere trap uit één stuk uit de 17de eeuw en een hele slanke koepel versierd met muurschilderijen. In dit gebouw in het centrum van de stad bevindt zich ook het Aartsbisschoppelijk Archief, dat de kerkelijke documentatiecentra van het Sevillaanse

aartsbisdom van informatie voorziet.

Reales Alcázares

De geschiedenis van Reales Alcázares is sinds de Reconquista van Sevilla in 1248 door koning Fernando III “de Heilige”, heel nauw verbonden met die van de koningen van Castillië.

Het paleis is bij gelegenheid de residentie van de Spaanse koninklijke familie en meteen het oudste nog bewoonde koninklijk paleis in Europa.

Met een jaarlijks bezoekersaantal van 1.250.000, zijn de Reales Alcázares het meest bezochte monument in Sevilla. Het opmerkelijke is dat het niet gaat om een paleis maar wel om een geheel van paleizen, het gevolg van een reeks opeenvolgende hervormingen sinds de tijden van de Moorse bezetting. Het resultaat is een compleet gamma van verschillende stijlen, van de Moorse tot de neoclassicistische, en passeert langs voorbeelden van mudéjar, gotiek, renaissance, plateresco, barok en rococo. Heel mooi zijn ook de tuinen, patio’s, salons en wandtapijten. Verder zijn er kantelen bewaard en enkele overblijfselen van het Moorse paleis. Recente opgravingen legden ook de resten van de versterkte muur en almohade paleizen

bloot, die kunnen nu bezocht worden.

Bezoekuren: (1/10 tot 31/3) van dinsdag tot zaterdag: 9.30 tot 17.00 u. Op zon- en feestdagen:

9.30 tot 13.30 u. Op maandag gesloten. (1/4 tot 30/9) van dinsdag tot zaterdag: 9.30 tot 19.00 u. Op zon- en feestdagen: 9.30 tot 17.00 u. Op maandag gesloten. Toegangsprijs: 7 €. Gratis ingang voor Sevillanen en gepensioneerden.

Universiteit van Sevilla

De oorsprong van de huidige Universiteit van Sevilla was het Colegio de Santa María de Jesús, gesticht door aartsdiaken Maese Rodrigo Fernández de Santaella aan het einde van de 15de eeuw. Een pauselijke bul van Julius III in 1505 geeft het Colegio de gelegenheid om opleidingen Theologie, Filosofie, Rechten, Geneeskunde en Kunsten in te richten. In 1551 stuurt het Stadsbestuur aan de stichting Maese Rodrigo een

Koninklijk Edict met toestemming voor een Algemene Studie, waardoor het Colegio officieel Universiteit werd en alle privileges genoot zoals de andere Universiteiten in het Koninkrijk. Uit de Statuten van 1621 kan worden afgeleid dat de Universiteit van Sevilla in vier Faculteiten opgesplitst was: Theologie, Rechten, Geneeskunde en Kunsten, ze kende de graden van Bachelor, Licentiaat en Dokter toe in alle Faculteiten, en de graad van Meester in de Faculteit van Kunsten.

Het streven naar hervorming in de 18de eeuw, onder de heerschappij van Carlos III, is duidelijk af te leiden van het Studieplan van Olavide (1768). Dat plan vormde de basis van de moderne Universiteit die, behalve de eerste faculteiten ook een opleiding Wiskunde voorzag, uit zorg voor de wetenschappelijke opleidingen.

Tijdens de heerschappij van Carlos III werden de Jezuïeten de toegang tot het land ontzegd en de Universiteit krijgt bij koninklijk verdict het gebouw van de Compañía de Jesús in de Calle Laraña toegewezen. Aan het begin van de 19de eeuw wordt het universitair onderwijs opnieuw hervormd: de zogeheten Kleine universiteiten worden afgeschaft, waardoor de universiteiten van Baeza en Osuna ondergeschikt worden aan

die van Sevilla. Verder wordt aan alle Universiteiten het Studieplan van de Universiteit van Salamanca ingevoerd. Tegelijk worden ook nieuwe studierichtingen en Faculteiten opgericht: de School voor Geneeskunde die later een Universitaire Faculteit zal worden (1668) en de Faculteit van Wetenschappen. Er ontstaan Seminaries en gespecialiseerde Bibliotheken; de Faculteit van Letteren en Wijsbegeerte wordt hervormd en de Faculteit van Theologie wordt afgeschaft. Omstreeks het midden van de 20ste eeuw, verhuist de Universiteit van Sevilla naar het gebouw van de Real Fábrica de Tabacos, de oude tabaksfabriek, een bouwwerk uit de 18de eeuw van de hand van de ingenieur Van der Beer tijdens de heerschappij van Ferdiand VI.

23

Stadhuis van Sevilla

Dit representatieve voorbeeld van de plateresco stijl werd in de 16de eeuw opgedragen aan Diego de Riaño, de auteur van de zuidelijke gevel die in die tijd uitgaf op het klooster van Sint Franciscus, getuige hiervan de boog die met het kloostergebouw communiceerde. De twee verdiepingen zijn helemaal versierd met reliëfwerk in plateresco stijl en stellen historische en mythologische figuren voor, alsook heraldische en symbolische figuren die verwijzen naar de stichters van de stad, Hercules en Caesar. Demetrio de los Ríos en Balbino Marrón tekenden in de de 19de eeuw de nieuwe neoclassicistische gevel aan de Plaza Nueva. Ze herschikten ook het interieur rond twee patio’s en een monumentale trap. Tot op vandaag worden in het stadhuis enkele belangrijke artistieke en historische voorwerpen bewaard, zoals de banier van de stad en een doek met de patroonheiligen Justa en Rufina.

Bezoekuren: dinsdag, woensdag en donderdag van 17.30 tot 18.00 u. Zaterdag: 12 u. Gesloten op feestdagen en tijdens augustus. (van 15/07 tot 15/09 kunnen de bezoekuren wijzigen). Toegangsprijs: gratis op voorleggen van Spaanse identiteitskaart.

Archivo de Indias

In de onmiddellijke omgeving van de Kathedraal staat dit gebouw in renaissancestijl dat het grootste historisch archief ter wereld bevat, het gaat om de documenten over de vroegere Spaanse kolonies op het Amerikaanse continent. De bouwwerken van het archief begonnen in de 16de eeuw. Tot op dat moment voerden de kooplieden hun transacties uit aan de trappen van de Kathedraal, een centraal gelegen plaats.

Maar bij slecht of heel warm weer zochten ze een toevlucht in de Kathedraal en dat leidde tot wrevel bij de kerkelijke overheid. In 1572 keurde koning Filips II de bouw van een Casa Lonja goed, de bouwwerken begonnen elf jaar later en het zou drieënzestig jaar duren voor het handelshuis definitief voltooid was. Het is een van de meest toonaangevende gebouwen in maniëristische stijl in Sevilla met duidelijke stijlkenmerken van de Spaanse architect Juan de Herrera. Het archief bevat vier miljoen boekwerken die in kasten en vitrines van cederhout en caoba zijn opgeborgen.

Bezoekuren: van maandag tot zaterdag: 10- 16.00 u. Onderzoekers: van 8 – 15.00 u.

Op zon- en feestdagen: van 10 – 14.00 u.

Toegangsprijs: gratis.

Torre del Oro

De Torre del Oro, de gouden toren, is de beroemdste militaire toren ter wereld. Dit emblematische monument in almohadestijl werd in 1220 gebouwd aan de oever van de rivier Guadalquivir en stond in verbinding met de vestingmuur van het Alcázar. Sevilla stond toen nog onder Moors bewind en de toren moest dienen om de stad te bewaken tegen de komst van de troepen van koning Ferdinand III “de Heilige”. De Torre del Oro is sindsdien stille getuige van de geschiedenis van Sevilla en Triana. De twaalfhoekige toren werd later voor verschillende doeleinden gebruikt, het was onder meer gevangenis, aankomst- en vertrekregister naar de Nieuwe Wereld, en opslagplaats voor het goud dat vanuit de kolonies werd ingevoerd. Op dit moment is in de toren het Zeevaartmuseum gevestigd. In de omgeving, in Postigo del Carbón, staat de zustertoren Torre de la Plata, de zilveren toren.

Bezoekuren: van dinsdag tot vrijdag: van 10 – 14.00 u.

Op zaterdag en zondag: van 11 – 14.00 u. Gesloten op maandagen en tijdens augustus.

Op feestdagen op afspraak. Toegangsprijs: groepen 1 €, individuele bezoekers 2 €. Op dinsdag gratis.

Museum voor Schone kunsten (Museo de Bellas Artes)

Na het Prado in Madrid is dit het tweede belangrijkste museum van Spanje. Het is ondergebracht in het vroegere klooster Convento de la Merced, een sober gebouw in barokstijl met de kerk die in het begin van de 17de eeuw werd gebouwd door Juan de Oviedo. Het gebouw ligt rond drie patio’s met een monumentale centrale trap. De vijftien gerestaureerde zalen bevatten een rijke collectie die een algemeen overzicht biedt van de Sevillanse schilderschool, van de gotiek tot de eerste artistieke stromingen van de twintigste eeuw. Er zijn werken van Greco en Goya, maar de absolute meesterwerken in de collectie zijn van de hand van Zurbarán, Murillo en Valdés Leal. Er zijn werken van bijna alle Sevillaanse schilders die beschouwd worden

als meesters van de Spaanse schilderkunst van de 17de eeuw.

Bezoekuren: Op maandag gesloten.

Dinsdag van 14.30 – 20.30 u.

Van woensdag tot zaterdag van 9 – 20.30 u.

Op zon- en feestdagen van 9 – 14.30 u.

Toegangsprijs: gratis voor ingezetenen van de EU-lidstaten.

Overige landen: 1,5 €.

Archeologisch museum

In dit museum wordt de geschiedenis van Sevilla en de provincie voorgesteld, van het Paleolithicum tot de Middeleeuwen. Hier bewaart men o.m. de schat Tesoro de Carambolo, een prachtig voorbeeld van de Tartesische cultuur, verder zijn er beeldhouwwerken, Iberische kunstvoorwerpen en mozaïeken afkomstig van de Romeinse stad Itálica. Bijna alle stukken van grote waarde in deze collectie, werden opgegraven in Sevilla en de omliggende provincie.

Bezoekuren: Dinsdag van 14.30 – 20.30 u. Van woensdag tot zaterdag van 9 – 20.30 u.

Op zon- en feestdagen van 9 – 14.30 u.

Toegangsprijs: 1,5 €

Museum voor Volkskunde en Tradities

Het museum voor Volkskunde en Tradities is ondergebracht in het Pabellón Mudéjar aan de Plaza de América; het bevat een etnografische en antropologische collectie. De collectie is heel bevattelijk voorgesteld en omvat o.m. een reeks affiches van Semana Santa en Feria, juwelen, ceramiek, boorduurwerken, meubels, muziekinstrumenten, traditionele werktuigen, klederdracht, etc.

Bezoekuren: dinsdag van 14.30 – 20.30 u. Van woensdag tot zaterdag van 9 – 20.30 u.

Op zon- en feestdagen van 9 – 14.30 u.

Toegangsprijs: 1,5 €

Museum van Hedendaagse Kunst

Het oorspronkelijke kartuizerklooster Monasterio Cartujo de Santa María de las Cuevas uit de 15de eeuw werd in 1841 omgebouwd tot ceramiekfabriek door de Engelse Charles Pickman, die er bakovens en de typische schoorstenen bouwde. In het huidige museum krijgen bezoekers een overzicht van de artistieke stromingen in Spanje vanaf het begin van de twintigste eeuw. Schilder- en beeldhouwwerken, wandtapijten en ceramiek van artiesten als o.m. Joan Miró, Chillida of Saura naast een groeiende verzameling werk van jonge, vooral Andalusische artiesten. Verder ook tijdelijke tentoonstellingen van avant-garde schilders, conferenties, publicaties en evenementen die getuigen van wat leeft onder de kunstenaars.

Bezoekuren: (van 1/10 tot 31/3: van dinsdag tot zaterdag van 10 – 20.00 u.

Zondag: van 10 – 15.00 u. Op maandag gesloten.)

(van 1/4 tot 30/9: van dinsdag tot zaterdag van 10 – 21.00 u.

Zondag van 10 – 15.00 u. Op maandag gesloten.

Toegangsprijs: 3 € (compleet bezoek); 1,80 € (tentoonstellingen). Op dinsdag gratis.

27

Casa de Pilatos

Casa de Pilatos dateert van het einde van de 15de eeuw en het begin van de 16de eeuw. Na Reales Alcázares is dit het weelderigste paleis in Sevilla. In het gebouw zijn op wonderlijke wijze drie verschillende stijlen gecombineerd: mudéjar, gotiek en renaissance. In het paleis zijn Romeinse kunstwerken, meubels uit verschillende perioden en schilderwerken ondergebracht. De kapel met zijn ribgewelven, schitterende geglazuurde ceramiektegels en gotische lijsten heeft een grote historische waarde. Beeldhouwwerken, klassieke borstbeelden, muurschilderijen van Pacheco, Pantoja, Ribero of van de school van Zurbarán of de mooie mudéjar cassettenplafonds zijn enkele van de kunstschatten die dit unieke paleis herbergt.

Bezoekuren: alle dagen van 9 – 18.00 u. Van maart tot september: van 9 – 19.00 u.

Toegangsprijs: 5 € / 8 €

Op dinsdag gratis van 13.00 – 17.00 u.

Voor ingezetenen van de EU.

Iglesia del Salvador

Deze barokke kerk werd gebouwd in de 17de en 18de eeuw op de resten van wat eerst een Romeinse tempel was, daarna een vroegchristelijke basiliek, en sinds de 9de eeuw de Grote Moskee van Sevilla. Van die moskee blijven nog de patio over en de minaret aan de noordzijde, dicht bij wat waarschijnlijk de hoofdingang van de islamitische gebedsplaats was. De minaret werd omgebouwd in klokkentoren. De kerk bezit ook een fabelachtige kunstschat waaronder het barokke hoofdaltaar, in de Sacramentkapel, het beeld van Jesús de la Pasión, een meesterlijk beeldhouwwerk van Martínez Montañés en ook de Cristo del Amor, van de hand van Juan de Mesa. Momenteel wordt de kerk grondig gerestaureerd. De restauratiewerken kunnen ook bezocht worden.

Parque de María Luisa

Parque María Luisa is een emblematisch park in Sevilla. In 1893 schonk prinses María Luisa de Montpensier aan de Sevillanen de helft van de tuinen van het paleis van San Telmo. In 1929 werd het de zetel van de Latijns-Amerikaans Tentoonstelling en dank zij de Franse ontwerper Nicolás Forestier werd het een levend museum met mooie tuinen en fraaie pleinen. Het trapeziumvormig park ligt parallel aan de rivier en is 38 hectaren groot. In het park liggen mooie pleinen zoals Plaza de América, ook bekend als het duivenplein, talrijke fonteinen en waterpartijen. Verder vinden we er ook het Pabellón Real, het Archeologisch Museum en het Museum voor Volkskunde en Tradities. En we vermelden ook nog een van de belangrijkste monumenten van de stad: Plaza de España.

Plaza de España

Dit plein maakte deel uit van de infrastructuur voor de Latijns-Amerikaanse Tentoonstelling van 1929; het is een ontwerp van architect Aníbal González en wordt als zijn meesterwerk beschouwd. De kenmerken van de regionalistische stijl zijn geïnspireerd op de renaissance in combinatie met typisch Sevillaanse stijlkenmerken,

zoals de ceramiek, ijzersmeedwerk en bakstenen muren. Langs het halfcirkelvormig plein ligt een lange wandelgalerij met halfcirkelvormige bogen, in het midden een centraal gebouw en aan beide uiteinden een toren. De galerij vormt de toegang tot de verschillende gebouwen die het plein omgeven. Op de begane grond is het plein afgezoomd met een reeks ceramieken banken die alle Spaanse provincies voorstellen a.h.v. hun kaart en een typerende historische gebeurtenis. Het kanaal met plezierbootjes ligt aan beide zijden van de centrale fontein.

29

La Plaza de Toros de la Real Maestranza

Dit is een van de mooiste en belangrijkste arena’s in de geschiedenis van het Spaanse stierenvechten. In 1761 werden de bouwwerken, die meer dan een eeuw zouden duren, gestart.

De gevel, waarin vooral de okerkleurige lijsten opvallen, is in barokstijl terwijl de toegangspoort of Puerta del Príncipe is afgewerkt met natuursteen, verder is er de grote deur met aan iedere zijde een zuil. De ultieme droom van alle stierenvechters is door die deur naar buiten gedragen te worden, als teken van triomf. De gewelfde gangen leiden naar de eigenlijke cirkelvormige arena. Heel indrukwekkend is ook de tribune Palco del Príncipe, een barok balkon met beeldhouwwerk en een met tegels bezet gewelf, voorbehouden voor de leden van de koninklijke familie. In de bijgebouwen van de arena is het Museum voor Stierenvechten ondergebracht.

Bezoekuren: van maandag tot zondag, feestdagen inbegrepen, van 9.30 – 19.00 u.

Op dagen met stierenvechten van 9.30 – 15.00 u. Rondleidingen met gids (in drie talen). Toegangsprijs: 4 €. Kortingen van 20% voor gepensioneerden.

De rivier Guadalquivir

Wie Sevilla zegt, zegt Guadalquivir. Beide zijn door de eeuwen heen hun weg gegaan, getuige van de geschiedenis van deze stad. Al in de tijd van het Romeinse Rijk, is de Guadalquivir, toen nog Betis genoemd, een belangrijke transportweg. De Moorse overheersers gebruikten de stroom ook als een eerste klasse handelsroute en waren er zo van onder de indruk dat ze hem Guadalquivir noemden, “grote rivier”.

Na de ontdekking van Amerika maakte de Guadalquivir zijn echte hoogtepunt mee, als toegang tot de haven van Sevilla voor de vloten die op de Nieuwe Wereld voeren. In de 17de eeuw kwam het verval, de rivier verloor zijn belangrijke rol maar zijn invloed op het landschap, de dorpen en de tradities duurt voort tot op vandaag.

Wie dat wil, kan kiezen uit verschillende vaartuigen om vanuit het centrum van de stad te varen tot aan de monding in de Oceaan bij het Nationaal Park Doñaña. Verder kunnen ook kortere trajecten per boot door de stad afgelegd worden, dit biedt u de gelegenheid de monumenten te bewonderen vanuit een ander perspectief.

De Guadalquivir speelt altijd zijn rol tijdens alle grote gebeurtenissen in Sevilla, in 1992 werden bijvoorbeeld een reeks nieuwe bruggen geslagen over de rivier naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling. Een voorbeeld is el Alamillo, ontworpen door de geniale architect Santiago Calatrava. De brug is ongeveer 140 meter hoog en wordt “vastgehouden” door in stompe hoek gespannen kabels. De Puente de la Barqueta, een brug met een enkele boog en een reeks hangstaven ligt op de plaats waar oorspronkelijk een aanlegsteiger lag om de Guadalquivir ver te steken, dicht bij een van de hoofdingangen van de Wereldtentoonstelling. Verder is er een voetgangersbrug (172 meter) naar de Cartuja. De brug Cristo de la Expiración of ook nog Puente del Cachorro vormt met haar druk verkeer de voornaamste toegangsweg vanuit Sevilla naar de A-92 in de richting van Huelva. Puente de las Delicias vervangt de vroegere Puente de Alfonso XIII, beter bekend als Puente de Hierro, die dateerde van de Tentoonstelling van 1929. Het is een ophaalbrug en vormt ook een belangrijke toegangsweg. Puente del Quinto Centenario, door de Sevillanen “Puente de San Paquito” genoemd door haar gelijkenis met de Golden Gate van San Francisco was op in 1992 een van de langste bruggen in Spanje. Dankzij haar hoogte kunnen ook de grootste boten onder de brug doorvaren. De Gualdaquivir is de enige bevaarbare Spaanse rivier en heeft in Sevilla een belangrijke haven. De Sevillanen beoefenen op en aan de rivier ook allerhande (water)sporten.

Tijdens de zachte nachten in de lente en de herfst is het heel aangenaam zitten op een van de terrassen aan het water.

31

Triana

Triana is meer dan alleen een wijk van Sevilla. Triana heeft een eigen identiteit: zijn straten en pleintjes; het drukke leven in de winkels, cafés, kerken, oude beluiken; zijn legendes… dat alles maakt van Triana een van de meest aantrekkelijke wijken van Sevilla. Als we de Puente de Triana oversteken, of Puente de Isabel II, komen we aan het plein Altozano, waar links langs de oever van de rivier Calle Betis ligt. Calle Betis staat bekend als de gevel van Triana, en sinds de achttiende eeuw ligt ze aan de kade en de aanlegsteigers. Terug op Altozano, zien we ook het begin van de straten San Jacinto, Pureza en Castilla. Van op de oever van de rivier hebben de voorbijgangers een fantastisch zicht op Sevilla: het Palacio San Telmo, Torre del Oro, de Kathedraal en de Giralda op de achtergrond, de klokkentoren van de Caridad, Teatro de la Maestranza en Plaza de Toros.

In de Calle San Jacinto kan de bezoeker de fraaie smeedijzeren tralies in de ramen bewonderen en zich in de talrijke bars tegoed doen aan de lekkerste tapas van Triana. Op de hoek van Calle Pagés del Corro staat de oude barokke kerk van San Jacinto.

In de Calle Pureza bewonderen we de pittoreske en kleurrijke huizen, met hun bloemen en planten op het balkon. Verschillende ervan hebben gevels uit de achttiende eeuw, waaronder Casa de las Columnas, tegenover de abscis van de Santa Ana kerk. In deze straat raden we de Capilla de los Marineros aan, op nummer 53. Het is een eenvoudige kerk ter ere van de Virgen Esperanza de Triana, “de andere Maria van Sevilla”, die samen met de Macarena door de Sevillanen fervent aanbeden wordt. Op het nummer 80 in dezelfde straat, staat de Santa Ana kerk, ook bekend als de kathedraal van Triana. De kerk is gebouwd in een overgangsstijl tussen de romantiek en de gotiek en kwam er in opdracht van koning Alfonso X El Sabio als dankbetuiging voor de genezing van een oogziekte.

In Triana vinden we ook nog beluiken zoals in de Calle Castilla, het zijn gemeenschappelijke patio’s met daarrond kleine huizen waar vroeger families van de minder gegoede klasse woonden. De Callejón de la Inquisición, leidde naar wat in de 18de eeuw het gevreesde Castillo de Triana was, de zetel van de Inquisitie. In diezelfde steeg staat de Parroquia de la Virgen de la O en helemaal aan het einde, dicht bij de Plaza de Chapina, de Patrociniokapel, waarin Cristo de la Expiración vereerd wordt. Deze in Sevilla heel populaire Christusfiguur is beter bekend als “El Cachorro”, een schitterend beeld in barokstijl waarover veel legenden verteld worden.

Het wereldbefaamde ijzersmeedwerk en de Sevillaanse tegels zijn typische producten van Triana. Heel recent werd nog het handelsmerk “Hecho en Triana” gecreëerd, om het typische handwerk te promoten en te beschermen.

Veel artiesten waaronder vooral stierenvechters en flamencoartiesten zijn afkomstig van Triana. Triana ademt vrolijkheid en feest, en dit is volop te merken tijdens de populaire Velá de Santiago en Santa Ana die op het naamfeest van Jacob en Anna gevierd worden in de maand juli. Voor deze gelegenheid wordt de Calle Betis

omgetoverd tot feestterrein en over de Guadalquivir wordt tijdens die dagen de traditionele “cucaña” gehouden.

Santa Cruz

Santa Cruz is nog een emblematische wijk ten zuidwesten van het ommuurde Sevilla, aangeleund tegen de vestingmuren van het Alcázar. De naam van deze wijk is de historische naam van het eigenlijke centrum van de vroegere Joodse wijk, die de huidige wijken Santa Cruz, Santa María la Blanca en San Bartolomé omvatte. Dicht bij deze symbolische wijk bevinden zich de belangrijkste monumenten van Sevilla. Niemand kan weerstaan aan de charme van de kronkelende stegen, de pittoreske witgekalkte huizen, de intieme patio’s vol bloemen en de fraaie pleintjes. In de Middeleeuwen was dit een deel van de Joodse wijk, na de Reconquista genoot deze buurt de bescherming van het Spaanse Koningshuis maar tegen het einde van de 14de eeuw werd de situatie onder druk van de christenen onhoudbaar, en werden de synagogen omgevormd in kerken. De bezoeker waant zich hier in een andere tijd.

We gaan binnen door de boog van de Judería (een overdekte steeg die uitkomt op de Patio de Banderas) en gaan verder door de Callejón del Agua, langs de vestingmuur. Een andere mogelijkheid is rechts van de patio de Calle Romero Morube in te slaan; die is weliswaar minder theatraal maar minstens even aangenaam. In de Callejón del Agua, waar het oude aquaduct stond die het Alcázar van water voorzag, ter hoogte van huisnummer 2, bevindt zicht een van de meest typische patio’s van de Sevillaanse herenhuizen. De patio is omgeven door een zuilengalerij en staat vol planten, zelfs Washington Irving keek er met bijzonder interesse naar en een gevelplaat verwijst naar dat moment. Verderop komen we aan de Plaza de Doña Elvira, een van de meest typische pleintjes: met tegels bezette banken en een stenen fontein in de schaduw van sinaasappelbomen. Langs de Calle Gloria gaat het naar de kokette Plaza de los Venerables, met het grote, barokke Hospital de los Venerabels Sacerdotes. De kerk van dit vroegere hospitaal is de eerste tempel toegewijd aan koning Fernando III El Santo, de patroonheilige van Sevilla.

Even verderop, in de Calle Santa Teresa staat het klooster van San José en het huis waar de Sevillaanse schilder Bartolomé Esteban Murillo woonde. Dicht bij de tuinen die de naam van deze beroemde schilder dragen, ligt de Plaza de Santa Cruz, met een mooi ijzeren kruis dat dateert van 1692, een fraai voorbeeld van de befaamde Sevillaanse ijzersmeedkunst.

Een gastronomische route leidt de bezoeker door deze magische buurt en laat hem proeven van het beste van de Andalusische keuken. Er zijn ook herbergen waar u kunt genieten van de beste flamenco of van de geneugten van een Arabisch bad. De magie van deze buurt is zowel overdag als ’s nachts onweerstaanbaar.

El Arenal

El Arenal is zonder enige twijfel een van de meest traditionele en emblematische buurten van de stad, het herinnert aan het koloniale Sevilla, aan zeevaarders uit lang vervlogen tijden. Tijdens de 16de en 17de eeuw en als gevolg van de ontdekking van Amerika en de handel met de Nieuwe Wereld, was Sevilla een van de belangrijkste havensteden ter wereld. Vandaag is het nog altijd een drukke wijk in de buurt van de Torre del Oro waar de Sevillanen graag komen, vooral voor het stierenvechten, het theater, de opera en de broederschapen.

De Plaza de Toros de la Real Maestranza ligt op een bevoorrechte plaats in el Arenal. Zoals de naam aangeeft, lag dit deel van de stad op een zandbank tussen de eigenlijke rivier en het stadscentrum, en was het een trekpleister voor mensen van bedenkelijk allooi (Rinconete en Cortadillo, Guzmán de Alfarache,…) die de warme sfeer van  de oude haven van Sevilla kwamen zoeken. Sinds de bouw van de arena, werd dit een van de aantrekkelijkste stadsbuurten: vol leven en doordrongen van de activiteit in en rond de arena.

De historische haven van Sevilla liep tot aan de huidige Puente de Triana en de galjoenen van de Koninklijke Vloot voeren de rivier op om hier hun schatten te lossen.

Tot op vandaag meren de boten aan bij de steigers: het zijn huurboten van de verschillende bedrijven die de bezoekers o.m. een pleziertochtje en interessante excursies rivier afwaarts bieden. Halfweg tussen de steigers en de Paseo de Colón, ligt Paseo Marqués del Contadero en verderop in de Paseo de Colón liggen enkele

fraaie terrassen met kiosken, waar de bezoeker even halt kan houden om te genieten van het zicht. Aan de overkant zien we de gevelrij van de Paseo de Colón: het theater Maestranza, tegenover het monument van Mozart, de Plaza de Toros, met het monument aan Carmen tegenover de beroemde Puerta del Príncipe, de zegepoort voor de stierenvechters. Enkele interessante gebouwen in regionalistische stijl uit het begin van de vorige eeuw vervolmaken het geheel.

Maar een wandeling door El Arenal is maar compleet na een bezoek aan het Hospital de la Caridad, een schitterende barok gebouw. La Caridad is een instelling die gesticht werd in de 16de eeuw met als doel de niet opgehaalde lijken van aangespoelde drenkelingen te begraven. Met de komst van Miguel de Mañara, werden de activiteiten van de nog actieve stichting uitgebreid ten voordele van de onterfden. We vermelden het mooie inkomplein, en de schilderijen van de hand van Valdés Leal en Murillo in de kapel van dit gebouw.


Publicado en General | Sin Comentarios »

Guida da Siviglia

septiembre 14th, 2017 por Ana María Rodríguez

SIVIGLIA TRADIZIONE E MODERNITÀ

Siviglia possiede un immenso patrimonio storico, monumentale e culturale. Croceviae punto d’incontro di tutte le civiltà che si stanziarono nei pressi del fiume Guadalquivir.

Tradizione e modernità convivono mano nella mano in questa città che con il suo passato millenario affronta con illusione il suo promettente futuro, essendo luogo di incontro, convivenza e tolleranza.

DESTINO TURISTICO

Turismo Culturale

A Siviglia, cultura e ozio giocano una parte fondamentale. La sua agenda culturale offre durante tutto l’ anno una grande varietà di spettacoli, teatro, opera, musica, danza, flamencoe esposizioni. Tremila anni di storia hanno lasciato uno degli insediamenti monumentali più importanti del mondo. Siviglia è un gran museo in cui convergono una moltitudine di stili. Tra gli innumerevoli monumenti merita menzionare: La Cattedrale, La Giralda, El Real Alcazar, La Torre del Oro, La Piazza di Spagna, Archivio delle Indie, il Museo Archeologico, il Museo Delle Arti e Tradizioni Popolari, Il Centro Andaluso di Arte Contemporanea , sede della Biennale di Arte Contemporanea di Siviglia e senza dubbio il Museo di Belle Arti. Il visitatore potrà godere delle più diverse manifestazioni artistiche che si organizzano in grande quantità durante tutto l’anno sivigliano, grazie alle entità istituzionali e alle gallerie private, senza dimenticare la possibilità di contemplazione del grande patrimonio custodito dalle chiese e dai conventi della città.

La città e le sue Feste

Durante la Settimana Santa il fervore religioso convoca molti sivigliani a vedere le confraternite compiere i i loro cammini di penitenza verso la Santa Cattedrale. Una settimana di passione religiosa che culmina con l ‘arrivo della “Madrugada” , nella mattinata del Venerdì, nella quale sfilano le comunità più importanti di Siviglia. La Festa di Aprile è conosciuta universalmente: da popolare Feria commerciale si è trasformata in uno spettacolo ricco di allegria e floclorismo. Si festeggia normalmente durant eil mese di Aprile, nonostante la sua data esatta dipende da quella Della Settimana Santa – sempre si organizza una o due settimana dopo la Settimana Santa-.

Per una settimana intera i sivigliani vivono in una città effimera, formata da casette suddivise in quartieri adiacenti, ordinate su strade ortogonali protette da alberi e da fari colorati che la caratterizzano per tutto il periodo di festa. La visita nel recinto della Feria è ideale durante le mattinate per approfittarne e vedere la sfilata di cavalli e carrozze, o nelle notti quando le casette si animano. I più “taurini” preferiscono andare alla corrida dei tori nella Plaza de Toros della Real Maestranza Della Cavalleria.

Altre Feste

El Corpus Christi, festività religiosa che si celebra in primavera con una grande devozione dei sivigliani; conserva gran parte delle sue origine barocche del secolo XVI e XVII Il “Baile de los Seises” è una tradizione che data il secolo XV in cui bambini danzano e ballanocon un vistoso abbigliamento del secolo XVII. I Seises partecipano con i loro canti e balli alla celebrazione del Corpus Christi, la festività dell’ Immacolata e nel “Triduo del carnevale” La processione della Vergine dei Re, Protettore della Arcidiocesi, che la mattina del 15 Agosto convoca nelle sale della Cattedrale un elevato numero di fedeli che provengono da ogni parte della provincia, addirittura interrompendo le loro vacazne per partecipare all’evento religioso.

Le Lacrime di San Pedro, è una tradizione sivigliana con più di seicento anni. Nella notte del 28 Giugno alle 24:00 e durant eil giorno successivo di San Pedro e San Pablo, si fanno suonare tre volte le campane per ognuno dei lati della Giralda. La melodia richiama le Lacrime dell’Apostolo nel rinnegare il Signore. Immacolata Concezione, nella mattinata dell’ 8 Dicembre si organizza un’altra manifestaione di carattere religioso organizzato dai “tunas”, gruppi universitari e di sivigliani che omaggiano la Vergine e il monumento della Immacolata Concezione nella Piazza del Trionfo La Velà de Santiago e Santa Ana, che verso la fine di Luglio si celebra sulla sponda opposta del fiume, è una delle manifestazioni che nel migiore dei modi celebra il Quartiere di Triana. È una festa che si vive per tutta la giornata, pero la parte più interessante si celebra nella notte. Tutte queste celebrazioni cosnervano intatte i loro caratteri tradizionali como poche città sanno ancora fare

Turismo Gastronomico

Nonostante a Siviglia si possano incontrare eccellenti ristoranti di tutte le specialità andaluse, nazionali e internazionali, la gastronomia andalusa riconosce soprattutto la sua identità nel “tapeo”. La teoria che trova più consenso per quanto riguarda l’origine di ciò che si chiama “tapa” deriva dall’abitudine di coprire il bicchiere di vino con un pezzo di pane con del prosciutto crudo. Per conoscere l’offerta gastronomica bisogna poter conoscere l’offerta diversicata che si può sperimentare nei bar e ristoranti. Esistono addirittura negozi di pesce che oltre alla vendita offrono la possibilità di assaporare in “tapas” i loro prodotti inscatolati. Alcuni chioschetti e taverne che non dispongono di una vera e porprio cucina offrono stuzzichini, o insalate, patate condite in insalata, “tortilla de patatas” , carne arrosto… il pesce fritto “pescaito” è d’obbligo, spacialmente le acciughe, la puntullita, tipico pesce andaluso e il pescecane marinato. Altra categoria di tapas sono quelle chiamate “cuchareo” ossia quelle che si mangiano con il cucchiaio (cuchara): piccole razioni servite con lo stufato del giorno, zuppa di legumi, ceci con baccalà, patate con “chocos” , spinaci ai ceci….”i “montaditos” sono minuscoli panini tostati fatti con sanguinaccio , salame e incluso carne bollita. Ad adornare il “tapeo” partecipa la forma folcloristica dei camerieri e del personale dei bar, considerato che questa forma tradizionale è considerata non solo un puro atto di nutrimento e approvvigionamento ma anche un importante momento si incontro di socializzaione descritto addirittura da i conoscitori della cultura: è necessario armonizzare i sapori in una scala d’intensità e in momento spaciali. Le Tapas trovano il loro compagno ideale nel vino di Jerez, la “manzanilla” di Sanlucar o nella birra di Siviglia.

Quando arriva l ‘estate l’importanza del gazpacho si fa sentire combinando pomodori, acqua aglio, peperoni, olio, aceto, cetriolo servito in un bicchiere o in piatto se con guarnizione. La popolarità del “tapeo” non deve far rinunciare al turista a conoscere i ristoranti sivigliani che offrono una eccellente gastronomia.La cucina sivigliana è strettemente vincolata alla cucina andalusa: è il caso del prosciutto “iberico”, il pesce di Cadiz e Huelva e il formaggio “manchego”… è una cucina popolare, ereditata dal passato nella quale l’olio d’oliva risulta indispensabile e dimostra l’unione imprescindibile di Siviglia con il resto delle cittadine del Mediterraneo. I raffinati e tolleranti arabi introdussero nuovi prodotti ; dalle Americhe arrivarono nuovi ingredienti che furono immediatamente integrati nella cucina sivigliana e, incluso, con tutta l’Europa. Esistono sul territorio andaluso aziende riconosciute tanto dentro come oltre confine grazie alla loro importanza nel settore gastronomico determinata dalla convinzione di creare piatti di alta qualità mantenendo il carattere tradizionale che le contraddistigue.

Passeggiando per Siviglia

Il centro storico di Siviglia è il esteso di tutta Europa, erede della prosperità ottenuta grazie al fatto che era considerata la porta d’accesso verso il Nuovo Mondo nei secoli XV e XVI. Siviglia era la terza città più popolata del continente e sfoggiava tra le sue vie case-palazzo, conventi, ospedali…Nella nostra città ci si può dilettare in Mopti modo, per esempio passeggiando nel Parco Maria Luisa, ceduto alla città da Maria Luisa di Orleans nel 1893, i giardini Real Alcazares, dove l’ispirazione araba è intrecciata con l’influenza del Rinascimento italiano; l’ Alamillo, il Prado, i giardini di Murillo, di Catalina de Ribera, la Buhaira del Palazzo che portano lo stesso nome, etc…Piacevole risulta il tour in cavallo attraversando tutte le zone più affascinanti della città, come per il Barrio Santa Cruz o di Triana. Inoltre Siviglia possiede un servizio di autobus turistico che passa pe ril centro storico. Oggi giorno è possibile navigare sulle acque del fiume Guadalquivir su imbarcazioni turistiche a partire dal centro città fino alla periferia e al Parco Donana Poche città in Spagna posseggono una rete di piste ciclabili comparabile a quella installata a Siviglia. Con i suoi 77 Km si possono raggiungere tutti i punti della città.

Il Comune di Siviglia stà lavorando alla costruzione di otto linee di piste ciclabili che si convertiranno nella struttura base di un piano che potrà mettere in comunicazione le zone periferiche con il centro, offrendo una via alternativa all’uso della macchina, senza dimenticare di proteggere la sicurezza dei ciclisti.

SIVIGLIA  MONUMENTALE

Patrimonio culturale e di piacere

Il motivo principale per il quale i turisti viaggiano in direzione Siviglia è strettamente legato al suo patrimonio monumentale e culturale. Il principale percorso include il quartiere di Santa Cruz, i Real Alcazares, La Cattedrale, La Giralda e la Torre dell’Oro. La Cattedrale, La Giralda, la Torre dell’Oro e l’Archivio delle Indie sono stati scelti per essere inclusi nella lista del Patrimonio dell’Umanità della UNESCO dall’anno 1987.

CATTEDRALE DI SIVIGLIA

È il monumento gotico per eccellenza. Costruita nel secolo XV sulle rovine di una moschea islamica è il terzo tempio del mondo in estensione dopo la Basilica di San Pietro a Roma e quella di San Paolo a Londra. Dell’antica moschea solo si conservano il Patio de los Naranjos e la Giralda. Interessante è la sua Ancona Maggiore , la più grande del mondo. Nella Cappella Reale si trova la Virgen de los Reyes, patrona dell’arcidiocesi, cosi come il corpo perfettamente conservato del re Ferdinando III il Santo. Altro punto di riferimento della cattedrale è il sepolcro di Cristoforo Colombo.

LA GIRALDA

Fatta costruire da Abu Yakub Yusuf nel 1184, rappresenta il simbolo della città. Nel secolo XVI fu costruito il corpo rinascimentale composto da 5 parti. La banderuola rappresenta il trionfo del Re, conosciuta anche come Giraldillo, con un’altezza di circa 100 metri e caratterizzata da una scala formata da 34 parti che aprono l’accesso alla parte più alta della torre dove si può godere di una vista impressionante.

REAL ALCAZAR

Sarà Pedro I, conosciuto da alcuni come il “Giustiziere” e da altri come il “Crudele” che darà l’impronta moderna e defnitiva all’antico palazzo mussulmano, trasformandolo in un sontuoso palazzo mudejar. Con i giardini; delle “Munecas” e delle “Doncellas” cosi come il salone degli Ambasciatori usata per la celebrazione di atti sociali e manifestazioni politiche. Questo palazzo reale è il più antico di tutta Europa ed è attualmente residenza ufficiale della Real Casa Spagnola a Siviglia

COMUNE DI SIVIGLIA

La facciata che dà sulla Plaza Nueva è in stile neoclassico, secolo XIX, la piazza occupa l’area del decaduto Convento Casa Grande di San Francisco. Dall’altra parte, la facciata plateresca della Piazza San Francisco costituisce l’esempio più rappresentativo di questo stile; lo straordinario quadro decorativo si debe all’architetto Diego de Riano. Risalta la sua notevole scalinata in stile gotico-rinascimentale, il Salon Colon e la Sala Capitular. Completano una ricca pinacoteca e un ricchissimo archivio.

UNIVERSITÁ DI SIVIGLIA

Verso la mità del secolo XX, l’ Universitàa si trasferisce nella Vecchia Fabbrica di Tabacco, realizzata nel XVIII dall’ingeniere Sebastian Van der Borcht. È la costruzione pubblica più grande di Spagna dopo il Escorial.

LA TORRE DELL´ORO E IL MUSEO NAVALE

La sua costruzione risale al secolo XIII quando formava parte del sistema defensivo almoade. Possiede una pianta dodecagonale, una esagonale e la superiore, aggiunta nel XVIII, di forma circolare. Ospita il Museo Navale, con un’ importante quantità di documentazione grafica riguardante la storia navale della città.

IL FUME GUADALQUIVIR

È l’unico fiume spagnolo con traffico fluviale, navigabile dal mare fino a Siviglia. Il suo nome deriva dall’arabo wadi al-Kabir (grande fiume), i romani lo chiamarono Betis. I popoli che lasciarono la loro impronta sulla sponda del Guadalquivir furono i fenici, i tartessiani, gli iberi, i romani, gli arabi, tutti popoli che costituiscono teestimonianze eccezionali del loro passaggio nella storia. Nel fiume coinfluivano tutte le imbarcazioni provenienti dalle Indie cariche dei tesori del Nuovo Mondo. Con la Esposizione del 1929, la fisionomia urbanistica della città ha come punto cruciale sicuramente il fiume Guadalquivir. Nel 1992 il rinnovo della città vede le sue opere più importanti nella costruzione dei nuovi ponti che lo attraversavano; come l’Alamillo disegnato da Santiago Calatrava con un’altezza di 140 metri quadrati e sorretto da alcuni cavi nel suo angolo ottuso. Il ponte de la Barqueta con un solo arco era la porta principale ddella Esposizione Universale. La Pasarela de la cartuja, 172 metri, batte il record di lunghezza nei ponto sorretti solo negli estremi.Il ponte di Cristo de la Expiracion, fu il Ponte del Cachorro costruito prima che si ritirassero i terreni che formavano la Corta di Chapina, accesso principale da Siviglia in direzione di Huelva. Il ponte de las delicias sostituì il ponte di Alfonso XIII, “Ponte di Ferro”, collegato alla Esposizione del 29. Il ponte del V centenario con sei corsie permette il passaggio di navi di grandi dimensioni.

OSPEDALE DE LLA SANTA CARIDAD E DELLA CHIESA DI SAN JORGE

Istituzione vincolata alla figura di Miguel de Manara, alla quale parteciparono i principali artisti del suo periodo: Valdes Leal, Esteban Murillo, Simon de Pineda e Pedro Roldan lasciarono qui gran parte della loro produzione.

PALAZZO DI SAN TELMO

Costruito nei secoli XVII e XVIII in stile barocco era una scuola per formare marinai. Fu residenza dei Duchi di Montpensier e attualemte è la sede della Presidenza Della Giunta di Andalusia

PALAZZO ARZOBISPAL

Residenza del Prelato di Siviglia, dove si trova l’Archivio del Generale del Arzobispado, risalta per la sua facciata tardo-barocca del secolo XVIII

ARCHIVIO DELLE INDIE

Antica Casa Lonja di Mercaderes, 1584, di stile manierista influenzata dal herrerismo. Nel tempo di Carlos III fu adattato per diventare l’Archivio delle Indie, il più importante archivio americansita del mondo, con documentazioni riguardanti l’aaministrazione del governo nel Nuovo Mondo durante gli anni della colonizzazione spagnola.

CASA DEI PILATOS

Innalzata da D. Fadrique Enriquez di Ribera al ritorno dal suo viaggio da Gerusalemme nel 1519. Importò elementi costruttivi da genova che si possono ammirare nell’ingresso, nelle colonne en el giardino principale costruiti da Aprile de Carona e Pace Gazini

CHIESA DEL DIVINO SALVADOR

In stile barocco, edificata nei secoli XVII-XVIII in un’area occupata da un tempio romano, una basilica paleocristiana, visigota e da una moschea di Siviglia. Conserva il giardino dell’abluzione e il minareto , convertito in campanario, con un favoloso disegno artistico.

CHIESIA DI SAN LUIS DEI FRANCESI

Chiesa barocca di chiara influenza romana, costruita tra il 1699 e il 1731 da Leonardo di Figuroa, con pianta a croce greca con una magnifica cupola. Si possono apprezzare affreschi di Lucas valdes e Domingo Martinez.

IL REAL MONASTERO DI SAN CLEMENTE

Fondato nel 1248 da Fernando il Santo, che entrato con le sue truppe nella città il 23 Novembre, festività di San Clemente, pensò fosse conveniente erigere un monastero dedicato al pontefice . Appartiene all’ordine monastico del Cister femminile con più di cinquecento anni di vita.

La ricchezza che ostenta è varia: la sua meravigliosa Ancona Maggiore, i rilievi, i quadri, le sculture, i motivi ornamentali di diverse epoche e artisti cosi come una ricca collezione di oreficeria. Offre un servizio di soggiorno grazie a cinque stanze in una cappella per le preghiere, dove si possono degustare i deliziosi dolci preparati dalla monache. La Giunta di Andalusia la reabilitò , utilizzando parte del claustro per usarla come sala esposizioni e la sua chiesa per concerti di musica classica.

CONVENTO DI SANTA PAULA

Risale al 1.504 ed è rappresentativo della epoca dei Re cattolici. Riunisce elementi dello stile gotico-mudejar, tardo-gotico e rinascimentale. Il museo convento conserva un’interessante collezione di quadri, sculture e arti santuarie. Nel negozio si possono comprare eccellenti marmellate e altri prodotti elaborati dalle monache stesse.

PARCO DI MARIA LUISA

Il parco di Maria Luisa è il più emblematico della città. Nel 1893, la principesca Maria Luisa Fernanda, duchessa vedova di Montpersier, cedette a Siviglia la metà dei giardini del suo palazzo di San Telmo. Nel 1929, a causa della Esposizione Iberoamericana, grazie al disegnatore grafico francese Nicolas Forestier si creò un museo di specie vegetali tra bellissimi sentieri e pergolati.

PIAZZA DI SPAGNA

Costruita dall’architetto sivigliano Anibal Gonzales, come padiglione di Spagna durante la Esposizione Iberoamericana del 1929. È considerata la sua opera massima. La sua ispirazione è di origine regionale rinascimentale determianta da elementi architettonici tipicamente sivigliani, come la ceramica, la fucina , e il mattone a vista. Di pianta semicircolare affiancata da due torri, con panche decorate con ceramiche che rappresentano le diverse province spagnole. Oggigiorno ospita uffici statali.

PLAZA DE TOROS DE LA MAESTRANZA E MUSEO TAURINO

Risale al secolo XVII ed è considerata una delle piazze più importanti del toreo. Qui si trova il monumento al “torero di Siviglia” Curro Romero. Oltre alla visita Della Plaza de Toros si può visitare il museo taurino riccamente fornito di tutta la tradizione spagnola di questa manifestazione popolare locale.

IL QUARTIERE DI TRIANA

Triana è qualcosa in più rispetto a un semplice quartiere di Siviglia, con una spiccata e forte personalità: i suoi recinti, le sue leggende, la sua storia… le vie San Jacinto, Pureza e castilla, la Piazza del Altozano, Il Ponte di Isabel II o “Puente de Triana” e la via Betis, costeggiano il fiume Guadalquivir regalandoci una splendida vista. Risaltano la Chiesa di San Jacinto, antico tempio di linee barocche , La Casa delle Colonne, la cappella dei Marinai nella quale si venera la Vergine Esperanza di Triana “l’altra vergine di Siviglia”, che con la Macarena sono le più venerate dai sivigliani.

La “cattedrale di Triana” la chiesa di Santa Ana tra il romanico e il gotico e fatta costruire nel secolo XIII da Alfonso X il Saggio come ringraziamento per essersi curato da una malattia agli occhi; il viale de la Inquisicion costruito nell’area dove era edificato il temibile Castello di Triana, sede del tribunale della Santa Inquisizione; la Parrocchia de la O e la Cappella del Ptrocinio , nella quale il cutlo è dedicato al Cristo della Esposizione conosciuto popolarmente come “El Cachorro” splendida immagine barocca carica di leggende.

La ceramica è il prodotto tipico artigianale di Triana di fama mondiale. È nata la marca “Hecho con Triana” per protegger il carattere locale della produzione. Culla di arte e artisti , soprattutto di toreri e “flamencos”. A Triana si respira allegria e spirito di festa come nella popolare “Velà” di Santiago e Santa Ana che si celebra nel mese di Luglio.

IL QUARTIERE SANTA CRUZ

Quartiere emblematico addossato alle mura del Real Alcazar ha le sue radici nel quartiere arabo che incorporava Santa Cruz, Santa Maria la Blanca e San Bartolomè. Il suo incanto si basa nelle sue vie sontuose , nelle sue pittoresche case, nei suoi fioriti giardinie le sue ritirate e intime piazzette. Durante il medioevo godette Della protezione diretta della corona in seguito alla Riconquista. Alla fine del secolo XIV fu assaltato dai cristiani che trasformarono tutte le sinagoghe in chiese. Cominci con l’arco della Juderia e prosegua per il Callejon del Agua, dove passava l’antico acquedotto che forniva l’Alcazar di acqua, strada che collega alla incantevole piazza di Dona Elvira, la via Gloria. La Plaza dei Venerables dove si trova l’ospedale dei Venerables Sacerdotes. A un passo si trova il convento San Jose e la casa dove visse Murillo. Nel quartiere Santa Cruz esiste la possibilità di far eun tour culinario per apprezzare la cucina sivigliana.

L’ARENAL

L’Arenal è uno dei quartieri più tradizionali di Siviglia , ricordo di una città marinara e coloniale che oramai non esiste più. Durante i secoli XVI e XVII era considerata la zona portuale più importante del mond, conseguenza della scoperta dell’America e il successivo commercio con le Indie. Il porto di Siviglia si estendeva su questa sponda del fiume Guadalquivir fino all’attuale ponte di Triana dove li attraccavano i galeoni della flotta reale carichi di tesori. Oggi è una piacevole passeggiata dove si sono installate piccole compagnie che affittano piccole imbarcazioni per uso personale. La Plaza de Toros de la Real Maestranza de Caballeria domina il quartiere. Il Quartire è uno dei più belli della città, impregnato di arte taurina.

Nel Paseo di Colon incontriamo: La Torre dell’Oro , il teatro della Maestranza, davanti al monumento di Mozart , la plaza de toros, il monumento a Carmen “la Cigarrera” e il monumento a Pepe Luis Vazquez e insieme al “Ponte di Triana”, un busto del cantante Antonio Mairena e il magnifico monumento alla Tolleranza di Chillada.

MUSEI

Museo delle Belli Arti di Siviglia

È la seconda pinacoteca più importante di Spagna, dopo il Museo del Prado, installata dal 1839 nell’ edificio che fu il Convento Casa Grande de la Orden Mercedaria. Dispone di quattordici sale. Il Museo delle Belle Arti di Siviglia e il Consorzio di Turismo hanno creato un itinerario per le strade e i luoghi emblematici della città di Siviglia, con filo conduttore una selezione delle opere del Museo.

Museo Archeologico

Nel Padiglione delle Belle Arti dell’Esposizione Iberoamericana del 1929, costruito da Anibal Gonzales, alloggia dal 1946 il Museo Archeologico Provinciale. Tra tutti i tesori esposti sicuro merita la pena menzionare il Tesoro del Carambolo.

Centro Andaluso di Arte Contemporanea

Nel Monastero di Santa Maria delle Cuevas, nell’Isla Cartuja, si trova questo museo con più di un mezzo milione di opere e tendenze artistiche sviluppate in Spagna a partire dal secolo XX: Mirò, Chillida e Saura tra gli altri. È la sede della Biennale Internazionale dell’Arte Contemporanea di Siviglia (BIACS)

Museo delle Arti e Tradizioni Popolari

Il Padiglione delle Industrie e Arti Decorative dell’Esposizione Iberoamericana del 1929 “Padiglione Mudejar” è sede di collezioni di carattere etnografico e Arti Santuarie, cartelloni che annunciano le feste primaverili, esempi di oreficeria, ceramiche, teli, mobili, strumenti musicali

Museo delle Carrozze

Antico convento dei Remedios costruito nell’anno 1573, fu sede della Fondazione Rafael Gonzales Abreu e Istituto Hispano-Cubano della Cultura. Attualemente appartiene al Real Club di Enganches di Siviglia. Dell’antico convento solo sono rimasti la chiesa dove soggiornarono personaggi come Santa Teresa de Jesus e San Juan de la Cruz

Museo del Ballo del Flamenco

Nel cuore della città , in un palazzo urbano del secolo XVIII dove si fondono l’originale architettura con una visione moderna dello spazio. La visita al Museo è la chiave di accesso al mondo magico del Flamenco. La visita è imprescindibile per tutti i visitatori di Siviglia e per coloro che in particolar modo sono interessati a questo aspetto della cultura e che addirittura vogliono sperimentare il ballo. Il Museo è sponsorizzato dalla ballerina Cristina Hoyos.

Museo Palazzo Lebrija

Dal secolo XVI, stile rinascimentale-mudejar, dichiarato monumeto storico artistico. La contessa di Lebrija ha voluto creare una casa simbolo dell’arte unendo la bellezza  architettonica e il collezionismo nei suoi diversi elementi: mosaici romani, piastrelle di differenti epoche e una gran varietà di oggetti precolombiani, arabi e romani.

Museo Militare Regionale

Ubicato in Piazza di Spagna è ereditario dei fondi dell’antica Maestranza dell’Artiglieria di Siviglia, la Pirotecnia Militar, centro e organismodella Regione Militare Sud. Sono importanti le sue collezioni di piani, bandiere, armi e falegnamerie di Cuba, Filippine e Puerto Rico, cosi come i fondi provenienti dalla Real Fabbrica di Cannoni

Torre de los Perdigones Camera scura

Costruita in 1890, fece parte della fabbrica di San Francesco di Paola, proprietà della famiglia Ammazza. La Torre era utilizzata per produrre dissipatori di piombo.Nel marzo del 2007 si installa la Camera Scura nella parte superiore e intorno a essa il Municipio crea un parco. Per la sua ubicazione limitrofa dal centro, e da 45 metri di altezza, la Camera scura della Torre offre eccellenti viste della città dentro le mura. é situata nei pressi del fiume Guadalquivir e di quel recinto dell’Esposizione Universale di 1992, nell’Isola della Cartuja.

Museo della Loggia

Di recente creazione è il Museo della Loggia, situato dentro il Municipio, facciata  nella Piazza di San Francesco, con un’esposizione permanente: “3.000 Anni di Storia a Siviglia” dove sono esposti pezzi del tesoro di “Il Carambolo”, monete, piante e fotografie, tra le altre cose.

Reali Arsenali

Costruite in 1252 da Alfonso X il Saggio, appoggiandosi sulla muraglia che univa le Torri dell’Oro e dell’Argento, tra i Battenti del Carbone e dell’Olio. I Reali Arsenali servirono da cantieri navale per la costruzione di galere. La trama architettonica dispone di 17 navate disposte in perpendicolare al fiume e sono dimostrazione dell’influsso dell’arte almohade dell’architettura medievale sivigliana; visitarli è come retrocedere fino al medioevo, quando questa città stava per diventare il porto più importante del mondo. Questo recinto sarà protagonista di un progetto culturale nel quale sta lavorando il Consiglio di Cultura della Giunta dell’Andalusia. Attualmente è una delle sedi del (BIACS).


Publicado en General | Sin Comentarios »

Guide Sèville français

septiembre 14th, 2017 por Ana María Rodríguez

INFORMATION PRATIQUES DE SEVILLE

Séville, la ville la plus visitée d´Espagne, est bien sûr le pôle tourustique phénoménal de la provence et de tout le sud du pays. C´est une ville générouse et chantante avec une histoire richissime dont témoignent, par exemple, sa cathédrale ravissante et son merveilleux Alcázar.

Capitale de l´Andalousie, active et universitaire, Séville est le siège de la junte d´Andalousie, gouvernement autonome, despuis 1981.

C´est la 4ème ville d´Espagne. Ce port fluvial, au trafic encore intense, a conservé une grande part de sa splendeur du XVIe siècle. Sèville nourrie des cultures juive, arabe et catholique demeure une ville complexe, antique et à la fois moderne. Avec son patrimoine monumental considérable et sa végétation semi-tropicale, elle dégage une atmosphére enchanteresse.

Séville possède un climat méditerranéen, avec une température moyenne annuelle de 26ºC et en été de12 ºC, avec des douces brises pendant tout le printemps et l’été. Ses hivers sont doux et ses automnes peu pluvieux, avec un indice de précipitations moyennes annuelles de 534 mm. Elle enregistre des hautes températures pendant l’été. Ses 3.000 heures approximativement de soleil durant l’année, font que son climat soit considéré presque parfait au long de toutes les saisons de l´année.

L´horaire des repas a lieu habituellement un peu plus tard que dans le reste d´Europe : le petit déjeuner a lieu entre 7 :30 et 10h. Du matin, le déjeuner aux restaurants est servie entre 13 :30 et 15:30 h et le dîner de 21 :00 á 23 :00h.

L´horaire commercial s´étend de 10 :00 h du matin á 13 :30 de l´après midi, et de 17:00 á 20:00 h du soir. En été, les commerces ouvrent et ferment un peu plus tard le soir ( de 18 :00 á 21:00). L´horaire des grands magasins est ininterrompu de 10:00 á 22 :00h.

Le bureau central de poste offre un service inintrrumpu de 8 :30 à 20 :30 du lundi au vendredi.

A Séville le tendu électrique standar est de 220v.

La pluspart des bancs ouvrent du lundi au vendredi de 8 :30 á 14:00 ou 14 :30 h. Il y a aussi quelques succursales qui ouvrent le samedi matin. Partout dans la ville on peut trouver des distributeurs automatiques disponibles les 24h.

HISTOIRE

Ce sont plusieurs les cultures qui ont conformé au cours des siècles l´histoire de Séville, son patrimoine culturel, monumental et artistique que nous pouvons contempler au long de ses rues et des musées. Ses obscures origines ont donné lieu aux légendes de sa fondation qui fut attribuée à Hercules. Mais si l´on veut s´approcher de l´Histoire de l´Ancienne Séville il faut visiter le musée d´Archéologie, situé dans anciens pavillons de l´Exposition Ibéro- Ce sont plusieurs les cultures qui ont conformé au cours des siècles l´histoire de Séville, son patrimoine américaine de 1929, bâtiment qu’en soit vaut vraiment la peine de le contempler. On y trouvera les vestiges d´autres civilisations provenant de l´autre coté de la Méditerranée, les représentations de leurs dieux lointains, ainsi que le Trésor du Carambolo; échantillon de l´influence orientale exercée sur les primitifs “sévillans”.

Les environs de Séville (Alcalá del Río) ont été le scénario de la bataille finale entre romains et carthaginois (206 a.C.) qui donna lieu à la fondation de la première colonie romaine, Itálica, dont le nom fait allusion à ses fondateurs. C´est Julio César qui convertit les sévillans en romains de plein droit et que dénomma la ville Julia Romula Hispalis. Rodrigo Caro manifestait au XVIIème siècle : ” Même si Séville a abrité des grands et somptueux temples…cirques…et amphithéâtres, de nos jours il n´en reste rien “. Raison de plus pour visiter le musée archéologique où l’étape romaine est magnifiquement représentée par les découvertes provenant d’Italica.

Saint Leandro et Saint Isidoro sont les personnages qui accompagnent d’un côté et de l’autre le roi conquérant, évoquant ainsi l’époque wisigothe noircis par le splendeur de la Séville Islamique qui surgira immédiatement après l’an (712).

Ce sera sous les almohades (vers la moitié du XIIème siècle) que la dénommée Izvilia atteindra sa plus grande splendeur. A cette époque fut construite la Grande Mosquée dont le minaret constitue actuellement le symbole de la ville et qui à la suite de son achèvement renaissance couronné avec une girouette qui tourne, elle fût dénommée la Giralda.

Sous le roi Saint Ferdinand III, la ville fut conquise par la couronne de Castille en 1248. À cette époque-là les mosquées ainsi que la Grande Mosquée dévirent des temples chrétiens. Un siècle et demie plus tard elle tomba en ruines, ce qui a fait que le Chapitre Ecclésiastique décide sa destruction pour y construire la Cathédrale; symbole de la Séville Chrétienne. Du Moyen Age il faut souligner la figure du roi Pierre Ier, qui construit à l´enceinte fortifiée du vieux Alcazar islamique un palais au style mudéjar (XIVème siècle).

C´est au XVIème siècle, après la découverte de l’Amérique, que Séville devint le port des Indes qui monopolisa le commerce avec le Nouveau Monde. La Casa de contratación “Chambre de Commerce” ayant son siège aux Alcazares et les commerçants se feront construire la Casa de la Lonja, que des siècles plus tard donna lieu aux Archives des Indes. Plusieurs maisons-palais ont été construites ainsi que le bâtiment civil l’Hôpital de las Cinco Llagas, actuellement convertit en Parlement de l’Andalousie.

Même si le XVIIème siècle fera naître des figures artistiques universelles, dans le domaine économique on regrette le transfert progressif du commerce américain vers Cadix. les Fraternités de la Passion qui en sortaient dans les rues leurs images sans aucun ordre préétabli , ont été réglementées en créant un parcourt Officiel: le chemin officiel à parcourir obligatoirement par les images tout en suivant un ordre établi selon l´ancienneté des mêmes. la Semaine Sainte est entrain d’être créée et qui unie à une profonde religiosité donne lieu à des images telles que Montañés, Murillo, Zurbarán ou Valdés Leal dont les œuvres on peut les trouvées au Musée des Beaux Arts ainsi que dans quelques paroisses. Des importants édifices religieux ont été construits tels que : l´Église de la Caridad, le Salvador et la magnifique San Luis de los Franceses. Dans tous ces travaux participe la figure principale du baroque sévillan, Leonardo de Figueroa.

C´est au XVIIIème siècle qu´on construit la nouvelle Manufacture de Tabacs; bâtiment industriel qu’en étant le scénario de l´histoire de Carmen la Cigarrera (Carmen la Cigarière), plus tard il fut connu mondialement. De cette même époque date la construction de l´autre scénario de Carmen, nous parlons des Arénes de la Maestranza, dont les travaux ne furent achevés qu´au XIXème.

Séville devint à l´époque du Romantisme (XIXème siècle) la destination préférée de ces premiers passionnés des voyages. Quelques uns d´entre eux étaient de vrais artistes ou peintres et nous ont laissé constance de ses visites dans des peintures qui représentaient la ville entourée de murailles. Ces murailles furent abattues plus tard afin de faciliter les relations commerciales existantes entre l´intérieur et l´extérieur des remparts. L´architecture en fer possède à Séville deux échantillon très renommés, l´un d´entre eux est le Pont de Triana, inspiré du Pont Carrousel de Paris, l´autre est constitué par les Nefs du Barranco.

Le débout du XXème siècle est caractérisé par l´enthousiasme de la préparation d´une exposition dont le commencement sera plusieurs fois reculé par diverses raisons. Finalement celle-ci sera célébrée en 1929. De cette Exposition Ibéro-américaine nous restent la Place d´Espagne, la Place d´Amérique ainsi que les pavillons des pays qui y participèrent, construits en styles différents et qui font référence à leurs cultures précolombiennes. Ce siècle sera achevé par la célébration d´une autre Exposition à l´occasion du Vème Centenaire de la Découverte de l´Amérique, c´était l´Expo´92. Du point de vue architectural, celle-ci a été l´origine de l´incorporation à la ville de l´Isla de la Cartuja, ainsi que de la destruction des deux anciennes gares ferroviaires que constituaient un grand obstacle aux communications internes de la ville, la construction de la nouvelle garde de Santa Justa, le Train à Grande Vitesse, les circonvallations etc.

De nos jours, celle qui fut le siège de l´Exposition est devenue Parc Technologique et abrite d´important entreprises.

Actuellement, quelques ans après l´Expo´92 Séville et son histoire continuent à se développer.

ALCÁZAR

Les Alcazars Royaux, considérés Patrimoine de l´Humanité dès 1988, constituent la résidence occasionnelle de la couronne espagnole, ainsi que le palais royal le plus antique d´Europe. Il ne s´agit pas d´un seul palais, mais d´un ensemble d´eux produit des réformes successives, que dès l’époque de la domination islamique, ont été effectuées par divers monarques. Par conséquent, ces palais réunissent le plus ample éventail de styles, matériaux, et influences que l´on puisse trouver à Séville. Parmi les différents styles qu’on y trouve, il existe le style islamique, mudéjar, gothique, renaissance… Au Xème siècle, Abderraman III fit construire le premier palais, qui fut dénommé Dar-al-Imara ou « maison du Gouverneur ». De celui-ci il n’en reste que les toiles des remparts qui entourent le Patio de Banderas. À travers la rue Joaquin Romero Murubue, on peut voir l’arc aveugle qui était l’entrée à l’ancien palais. De la période des almohades il en reste le Patio del Yeso et un tronçon de rempart. L´ornementation de ce patio a servi d’inspiration pour la postérieure architecture nazari appliquée à l´Alhambra de Grenade. Le palais du roi Pierre I constitue l´exemple le plus important en style mudéjar. Ce roi éprouvait une prédilection spéciale pour Séville et l’a choisie comme capitale de son royaume. Il s’intéressait beaucoup aux arts et aux coutumes islamiques, raison pour laquelle il choisit ce style architectural. La construction du palais commença en 1364 avec la participation des artisans de Séville, Toledo et Grenade. Ce palais possédait un rez-de-chaussée et en première étage deux chambres seulement, mais dû à son utilisation comme lieu de résidence royale, il a été restauré et son premier étage agrandi. Dans ce palais on peut contempler de beaux salons et patios, tels que le Patio des Demoiselles, le Patio des Poupées, le Salon de Doña María de Padilla et le Salon des Ambassadeurs. Ce dernier est la pièce la plus importante du palais. Il faut remarquer les portes (œuvres originales de1366), la coupole construite en 1427 et la très riche décoration de plâtrières et d’azulejos de ses murs. Le Palais gothique fut construit sous Alphonse X le sage sur un ancien palais almohade, et sous lequel on trouve Les Bains de María de Padilla. Dans ce palais on y trouve le Salon de Tapisseries et celui de Charles V. Des modifications ont été effectuées au XVIIIième siècle à conséquence du tremblement de terre de Lisbonne en 1755. En style de la Renaissance est construite La Casa de la Contratación (Chambre de commerce) organisme constitué par les Rois Catholiques en 1503 après la Découverte de l´Amérique, puisque Séville s’est convertie en l’un des ports les plus important de l’Europe, ayant le monopole commercial du Nouveau Continent. De ce port, d’importantes expéditions ont été effectuées telles que le premier tour du monde. Dans la chapelle se trouve La Vierge des Navigateurs, œuvre réalisée par Alejo Fernández, première représentation en Europe de la Découverte de l´Amérique. Les jardins de l´Alcazar sont très beaux et résultent des influences mudéjars, de la renaissance et baroque. Celles-ci ont constitué un des jardins d’une grande beauté et valeur historique et qui reflètent les différents styles de jardinage employés à cette époque. Au cours des années ces jardins ont été enrichis avec des plantes qui proviennent de tous les coins du monde. Aujourd´hui plus de 170 espèces ont été cataloguées dans ses 60.000 m² de surface. On sort de l´Alcazar par le Pied-à-Terre, un ample vestibule qui conduit au Patio de Banderas. Cet espace et la façade de la porte de sortie furent rénovés par l´architecte Vermondo Resta. Sur le Pied-à-Terre il y a une salle qui, durant le royaume de Philippe V fut consacrée à l´Armurerie Royale et qui actuellement accueille d´intéressantes expositions.

ARCHIVE DES INDES

Son histoire commence au XVIème siècle. Jusqu´à cette date, les commerçants se réunissaient avec leurs marchandises dans les gradins de la Cathédrale (espace qui se trouve entre les murs et les chaînes qui entourent le bâtiment). Cela ne constituait pas un problème, mais lorsqu´il pleuvait, ils se réfugiaient à l´intérieur du temple, ce qui provoquait des conflits avec le Chapitre de la Cathédrale. D’où le besoin de construire à Séville une Casa lonja ou Archive des Indes. Après avoir communiqué l’idée à Philippe II, celui-ci approuva sa construction. Ces œuvres ont duré depuis 1583 jusqu’à 1646. Il fallait résoudre deux problèmes : L´emplacement : elle fut construite entre la Cathédrale et l´Alcazar, espace où se trouvait des édifices en ruines. Choisir le projet : Séville envoya à la court un projet d´Asensio Maeda, mais il fut refusé par le roi en bénéfice de celui de Juan de Herrera. Herrera fut l´auteur du projet, mais dans les œuvres se sont Juan de Minjares et Alonso de Vamdelvira qui travaillèrent. En 1660, la première école des Beaux Arts de Séville fut construite à l’intérieur de cet édifice. La première fois, c’était les peintres Murillo et Herrera « el mozo » qui l’ont présidée ensemble, et plus tard c’était Alonso de Vandelvira qui occupa la présidence. Au XVIII ème siècle le roi Charles III décida de réunir tous les documents en rapport avec le Nouveau Monde et de créer l´Archive des Indes, celui-ci avait besoin de quelques aménagements pour qu’il puisse fonctionner en tant qu’archive. Ces Archives figurent parmi les plus importants du monde tant par le numéro des documents que par l´information qu’ils fournissent. Parmi ces documents soulignons les autographes de Colomb. L´Archive des Indes est d´une grande importance non seulement par sa fonction sinon par le magnifique mobilier qu’il conserve. Dû à son importance documentaire, l´Archive constitue un des centres les plus visités par les chercheurs venant de partout et qui réalisent des travaux dans des domaines très variés.

CASA PILATOS

La construction de cette maison commença entre la fin du XVème siècle et le début du XVIème siècle. Il s´agit du palais, le plus somptueux à visiter de Séville, après les Alcazars Royaux. Il est intéressant non seulement par la combinaison de styles mudéjar, gothique et renaissance qu´il comporte, mais aussi par les antiquités romaines, les peintures et le mobilier de diverses époques qui s’y trouvent et qui font de lui un vrai musée de première catégorie.

HÔPITAL DE LAS CINCO LLAGAS  (PARLEMENT ANDALOU)

Ce bâtiment de grandes dimensions, possède un plan rectangulaire et quatre patios définis par la trace cruciforme des deux grandes salles communes où se trouvaient les infirmières. La façade principale est composée de deux corps, avec des pilastres doriques et ioniques, avec plus de décoration sur le corps supérieur, possédant un grand portail en marbre blanc terminait en blason de la fondation des Cinco Llagas, aux côtés figurent les blasons de ses fondateurs. La chapelle, projetée par Hernán Ruiz en 1560, forme partie des œuvres les plus représentatives de son style. Pour comprendre son importance, il faut revenir à l’an 1500, période où Catalina de Ribera obtient la bulle pontificale qui permet la fondation d´une des œuvres de bienfaisance les plus connues et populaires de la Séville du XVIème siècle. Son fils Don Fadrique Enríquez de Ribera, Marquis de Tarifa, a continué avec l´œuvre de sa mère et l’a agrandie, jusqu´à sa mort en 1539. Un an plus tard, et par testament, les prieurs de la Cartuja de Santa María des Cavernes et des monastères de San Jerónimo de Buenavista et de San Isidoro del Campo sont actuellement les propriétaires de la fondation, et par conséquent ils s’en charge de convoquer au concours public pour édifier un somptueux édifice dans les proximités de la Puerta de la Macarena. Des architectes rénommés de l´époque se sont présentés à ce concours, et c’est Martín Gaínza qui fut choisi. Les travaux ont commencé en 1546 jusqu´à sa mort, lorsque Hernán Ruiz lui succéda. Celui-ci, et pour les mêmes raisons, fut succédé par le napolitain Benvenuto Tortello en 1570 et en 1572 par Asensio de Maeda . L´Hôpital commença son fonctionnement jusqu´au moment où il devait être fermé à cause de son déplorable état de conservation. Il fut remodelé et de nos jours il constitue le siège du Parlement Régional Andalou.

UNIVERSITÉ (ANCIENNE MANUFACTURE DES TABACS)

Aucune des industries surgies à Séville au XVIIIième siècle peut-être comparée à celle du tabac. Chiquer le tabac, l´aspirer ou le fumer était à la mode. Et afin de produire ces différents produits on a construit à Séville la manufacture la plus moderne que personne à cette époque ne pouvait imaginer, remplaçant à celle qui existait déjà depuis 1610 sise à la plaza del Cristo de Burgos. Les travaux de cet édifice furent entamés en 1728 suivant le projet de l´ingénieur militaire Ignacio Sala, mais ils furent abandonnés en 1731 et repris ensuite par l´ingénieur Sebastian Van der Borcht; directeur du projet qui ajouta au centre industriel plusieurs éléments de cour tels que la façade, le vestibule, l´escalier et les salons. Dans ces travaux divers artistes sévillans on participé. La monumentale manufacture fut achevée entièrement- y compris le fossé, la prison et les maisons destinées à l´administration- en 1711. Sa capacité était tout à fait surprenante : un contingent humain d’un milliers d´ouvriers, qu’à partir du XIXième siècle la plupart était des femmes ; des immenses ateliers et magasins, aérés à travers 24 patios, 21 fontaines et 110 puits pour l´entretien de la manufacture ; 116 moulins à « déblaiement », 40 à raccommodage et 87 écuries pour y garder les presque 400 bêtes chargées d´effectuer le broyage. Ce bâtiment public, crée en tant que citadelle, avait des chapelles, des guérites, des ponts-levis et un fossé. En plus de fournir de l’emploi à la population féminin de Séville du XIX ième siècle, cette entreprise va s’occuper de projeter le mythe de la cigarières. En fin, l´installation dans cet édifice de diverses facultés

universitaires a été approuvé en 1949, c’est pourquoi l´aménagement de son intérieur fut nécessaire, et ainsi il continuera pour le plaisir de tous ceux qui veulent le visiter. Dès qu’il constitue le siège de l’Université, la chapelle de la Confrérie des Étudiants est située dans le même, avec la figure du Christ de la Bonne Mort qui a été réalisé en 1620 par Juan de Mesa.

PLACE D´ESPAGNE

Réalisé par Aníbal González dans le cadre du vaste programme de construction effectué à l’occasion de l´Exposition ibéro-américaine de 1929. D´une surface de 14.000 m² et de 200m de diamètre. Construit en style est régionaliste, c´est à dire, un mélange de mudéjar, gothique et renaissance. Les matériaux utilisés sont la brique et la céramique . La place est ornée de 48 bancs consacrés aux provinces espagnoles (classifiées par ordre alphabétique) revêtus d´azulejos dont les motifs iconographiques font allusion aux provinces espagnoles, aux événements historiques, au blason et au plan de la province. La place d´Espagne est entourée d´une petit ruisseau traversé par quatre ponts représentant les quatre royaumes qui conformaient la couronne espagnole : Castille, Léon, Navarre et Aragon. De nos jours, ces bâtiments logent des différents organismes publics ainsi que du gouvernement civil et militaire.

PLACE D´AMERIQUE

Cette place, ainsi que ces trois édifices ont été construits par Aníbal González entre 1911 et 1919, à l´occasion de l´ Exposition ibéro-américaine de 1929. Chaque édifice appartient à un style architectural différent. Pavillon Renaissance : actuellement Musée d´Archéologie. Pavillon Gothique : de nos jours, il appartient à la mairie et siège une de ses délégations. Pavillon Mudéjar : aujourd´hui, il est le siège du Musée des Beaux Arts et des Coutumes Populaires. Sur cette place se trouve aussi la Gloriette de Miguel de Cervantes, ornée de céramiques faisant allusion à ses œuvres les plus renommées.

ARÈNE DE LA REAL MAESTRANZA

Construite par Vicente San Martín en 1761 (XVIIIème siècle), c’est une des arènes qui figure parmi les plus anciennes de l’Espagne. L’Arènes et les édifications y adossées conforment un pâté de maisons à plan presque triangulaire. Le bâtiment de l’Arène possède tant dedans que dehors, la forme d´un polygone irrégulier suite des travaux y réalisés tout au long de 120 ans. Une des caractéristiques de l’arène de Séville, c’est qu´elle n’est pas complètement circulaire mais un peu ovale. Parmi les balcons qui s’y trouvent à l’intérieur, nous devons faire mention du balcon du Prince, œuvre de Cayetano de Acosta. La petite chapelle des toreros est présidée par l’image de la Vierge de los Dolores, attribuée à Don Juan de Astorga, qui jouit d´une grande dévotion parmi les toreros et qui a reçu plusieurs vœux en qualité de donations. Il contient le Musée de Tauromachie, avec une collection de costumes, de photographies, de toiles, etc. qui sont en relation avec le monde du taureau. Avant la construction de l’arène, les corridas s’effectuaient à la Place de San Francisco. A côté de celui-ci on trouve le siège de la Real Maestranza de Caballería, œuvre réalisée par Aníbal González en 1929, c’est la propriétaire des Arènes. C’est une association nobiliaire dont les origines se remontent aux temps de la Reconquête et qui fut réorganisée au XVIIème siècle. La saison de taureaux commence le dimanche de Pâques et finit en septembre.

CATHÉDRALE ET GIRALDA

La Cathédrale de Séville possède le titre de Magna Hispalensis dès sa construction car il s’agit, non seulement du bâtiment gothique le plus grand, mais aussi de l’une des constructions les plus grandes de toute la chrétienté. En 1928 elle fut déclarée Monument National et cataloguée par l’UNESCO comme Patrimoine de l´Humanité. Elle contient de très importants dossiers et bibliothèques, parmi lesquelles se trouve la bibliothèque Colombienne, sise au Patio des Orangers. Sa physionomie extérieure a évoluée dû aux diverses modifications et transformations qu´elle a subies dès le moment où elle a été érigée sur les restes de l´ancienne grande Mosquée des almohades, datée du XIIème siècle. Les seuls restes qui se conservent du bâtiment almohade sont le Patio des Orangers et le minaret que nous connaissons sous le nom de la Giralda et d´où l´on peut en jouir d’une belle vue de la ville. A la Cathédrale nous pouvons admirer des belles oeuvres d’art. Au maître-autel se trouve le retable majeur, considéré un des plus grands du monde (27 m d´hauteur et 18 m de largeur) Dans la chapelle de San Antonio nous pouvons observer l’un des trésors de la Cathédrale, c´est le tableau de Murillo dénommé « La visión de San Antonio. » La chapelle de la Virgen de l´Antigua, l’une des chapelles les plus riches et grandes, contenant une fresque du XIVème siècle de la Vierge du même nom, c’est unes des patronnes de la Découverte de l´Amérique. Le tombeau de Colomb contenant ses restes mortels. Nous pouvons observer aussi le Cristo de la Clemencia de Martínez Montañés, qui est une des meilleures pièces de la sculpture baroque. A la Sacristie des Cálices se trouvent des tableaux à grande valeur, tels que celui de Santa Justa et Santa Rufina, œuvre de Goya. La Sacristie Majeure est en soi d’une grande beauté puisqu’elle est faite en style plateresque, et avec des Chef d’oeuvres tel que l´Ostensoir d´Arfe, utilisé dans la Procession de la Fête Dieu. Dans la salle Capitulaire, la coupole est ornée de peintures réalisées par Murillo, et on peut y voir “ l´ Inmaculada”, considérée une des plus belles des oeuvres qu’il a réalisé. A la Chapelle Royale on trouve la Virgen de los Reyes, ou Vierge des Rois, datée du XIIIème siècle et patronne de la ville, et dans une urne en argent on peut observer le corps momifié de Ferdinand III dit le Saint, conquérant de la ville et son patron. La Giralda Cette tour est l’un des rares vestiges qui en restent encore de l´ancienne mosquée almohade. Elle est considérée la sœur de la Kotobyya de Marrakech et de la grande tour de la mosquée d´Al Hassan de Rabat. Grand nombre de tours ont été construites avec la même image et semblance. Projetée par Ahmed ben Basso, ses fondations, d´à peu près 8.5 mètres, sont en pierre de taille qu´atteignent les 2 mètres de hauteur sur le niveau du sol actuel. Quelques pierres proviennent des restes d’autres constructions romaines ou arabes. La tour fut achevée avec une hauteur de 82 mètres. Son minaret était couronné par quatre boules en bronze doré et qui sont tombés à conséquence du tremblement de terre de 1356. Vers 1400, on a décidé de les remplacer par un campanile. Le campanile actuel fut réalisé par Hernán Ruiz entre 1558 et 1568. Celui-ci l’a couronnée de quelques corps décroissants, et l’a enduite d’une couleur rouge-ocre et après l’a ornée de carreaux de faïence bleu cobalt. C´est sous la direction du sculpteur Juan Bautista Vázquez el Viejo (le Vieux), que quelques peintures à la fresque et près de 50 reliefs, ont été réalisés. La girouette qui surmonte l’ensemble, et que l´on connaît sous le nom de Giraldillo, symbolise la victoire de la Foi Chrétienne, elle fut réalisée par Bartolomé Morel entre 1566 et 1568. Cette “giralda” a donné son nom à toute la tour. La figure renaissance représente une femme avec une tunique et qui porte un bouclier de guerre dans une de ses mains et une palme dans l´autre. Elle a 3.5 mètres de hauteur et pèse 128 kg. Le nouveau ensemble architectonique a atteint 103 mètres de hauteur grâce aux cloches qui le surmontent.

ÉGLISE DU SALVADOR

Cette église a été construite sur l´emplacement de l´ancienne mosquée Ibn Adabbas, fondée au IXème siècle sous Abd al Rahman II. De cette mosquée nous pouvons observer actuellement quelques vestiges, tels que le Patio des Orangers et les sous-bassement de la Tour. Les travaux de construction de ce temple ont été initiés en 1674 avec la collaboration de plusieurs artistes dont le dernier fut Leonardo Figueroa, entre 1696 et 1712, qui réussissa à achever les travaux, en dirigeant la fermeture des voûtes et des coupoles ainsi que l´ornementation intérieure. Sur un des côtés latéraux extérieurs de cette église se trouve le retable en céramique du Christ de l’Amour, titulaire de la confrérie qui porte le même nom. Ce rétable est oeuvre d´Enrique Mármol Rodrigo de 1930, il est le plus grand rétable de Séville puisqu’il représente le Christ à grandeur nature. Cette église a un plan de salon divisé en trois nefs, et celles-ci subdivisées en quatre travées. Sur le lieu du transept s´érige une coupole sur des pendentifs à reliefs en pierre représentants les figures des Quatre Evangélistes. De cette église il faut souligner : – Le Retable Majeur dont l´auteur est Cayetano de Acosta (XVIIIème siècle) – Le retable baroque représentant l´image de San Cristóbal, sculptée par Martínez Montañés en 1597 – Le retable de la fraternité du Christ de l’Amour. Au centre de ce retable néo-baroque se trouve la sculpture du titulaire, taillée par Juan de Mesa entre 1618 et 1620. – La chapelle du sacrement avec un portail-retable réalisée par Cayetano Acosta. Dans cette chapelle se trouve l’effigie de Notre Père Jésus de la Passion, taillée par Martínez Montañés. – L´Autel de Nuestra Señora del Rocío (titulaire de la Confrérie du Rocío de Séville. Plusieurs confréries de la Semaine Sainte appartiennent à cette église, parmi lesquelles nous citons les suivantes : La Confrérie de la Borriquita, du Christ de l’Amour et la Vierge du Secours (Dimanche des Rameaux) et la Confrérie de la Passion (Jeudi Saint).

ÉGLISE DE L’HÔPITAL DE LA CARIDAD

Les origines de la Confrérie de la Charité se remontent au Moyen Âge. Elle fut destinée à des fins humanitaires, tels que l´enterrement des condamnés à la peine de mort et ceux qui se sont noyés dans le fleuve. Son église baroque fut commencée par Pedro Sánchez Falconete et achevée par Leonardo de Figueroa. La décoration de l´église fut oeuvre des meilleurs artistes de l’époque tels que: Bernardo Simón de Pineda (auteur des retables), Pedro Roldán (qui réalisa les sculptures) et Murillo et Valdés Leal (chargés des peintures). L´Hôpital fut érigé sur les anciens arsenaux dont la construction fut commandé par Alphonse X le sage. Le rôle de Miguel de Mañara, qui appartenait à une riche famille italienne résidante en Séville, fut décisif pour le développement de cette institution. On dit que la vie de celui-ci a servi d´inspiration à Tirso de Molina pour écrire son roman “El Burlador de Sevilla”, et plus tard à Zorrilla pour écrire son roman “Don Juan Tenorio ». A l´église nous pouvons contempler quelques chefs d´œuvre de Valdés Leal, tels que “Las postrimerías”, ainsi que les peintures de Murillo qui traite sur la miséricorde; malheureusement aujourd’hui il n’en reste que deux. Les autres se trouvent distribuées par tous les musées étrangers. Cette église c’est un parmi les plusieurs édifices en style baroque qui se trouvent à Séville.

FOIRE D´AVRIL

Bien que puisse vous sembler étrange, les origines de la Foire d´Avril, dont les sévillans sont si fiers, ne se trouvent pas dans cette ville. Les artifices de cet événement sont Don José María Ybarra, premier comte d´Ybarra, et Narciso Bonaplata au moment où le comte de Montelirio était le maire était de Séville.

Au début,c´était une foire de Bétail. Les marchands s´accommodaient dans des baraques de toile qui servaient de logement pour les commerçants. Autours de ces baraques on disposait des étalages, des kiosques, des marchands d´aliments, de boissons, de bijouteries, et de sucreries. L´affluence d´acheteurs et de vendeurs fait circuler de l´argent, ce qui fait que d’autres activités prennent lieu, telles que la vente d´articles de verveine, les fonctions de petits théâtres, etc.

Par devant cet conception de fête, les habitants non intéressés sur le commerce arrive à ce lieu et y organisent des danses sous les toiles des baraques, c’est pourquoi ces dernières sont décorées et aménagées. Ainsi la partie ludique s´affirme face à la partie commerciale.

Mais reprenons l´histoire, les origines de la foire ont été établis à partir de 1846, après que Don José María Ybarra et Narciso Bonaplata aient vaincu la résistance initiale et réussis à obtenir l’appuie du maire qui se trouvait à l’époque, le comte de Montelirio.

Cette faute de confiance était basée sur le fait que la province avait déjà une autre foire de Bétail très importante, celle de Mairena del Alcor. Tout ceci unie à l’importance et à la proximité d’une autre foire déjà existante (Foire du Cheval, à Jerez) faisait que l’association de cet époque n’ait pas trop claire son succès. On établit officiellement la Foire d´Avril en 1847, avec une durée de trois jours.

La Foire d´Avril reçoit son premier grand élan en 1865, moment dans lequel, une fois confirmée sa viabilité, la mairie de la ville y effectue quelques reformes qui ont fait de celle-ci un écran provincial, régional, national et international de la ville. C´est ainsi que la ville et leurs habitants considèrent comme propre cet événement.

En 1889 le Real de la Feria (nom que reçoit l’enceinte, grâce à l’aide apportée, dans des dates antérieures, par la Reine Isabel III) commence, après les réformes et les décorations y effectuées, à acquérir son aspect actuel.

La mairie publie en 1910 des brochures pour publier la Foire et ses attractions populaires. Ces brochures recueillent l’information probante de l´affluence du public international. À cette époque, la Foire accueillait des courses à chevaux, des batailles de fleurs, des compétitions sportives ainsi que de grandes festivités aux arènes de la Maestranza.

A l´occasion de la foire Ibéro-américaine, l´emplacement de la foire de Séville varie, il est transféré à la zone Sud du Prado. Lieu où elle reste jusqu’à 1972.

Tel que nous l´avons déjà mentionné, cette foire a perdu son aspect commercial. Elle est devenue une foire ludique qui accueille tant les visiteurs que les habitants de Séville et de sa région. Grâce à ce facteur ainsi qu´à la visite de grands personnages, cette foire est devenue un événement international.

Après 125 ans au Prado de San Sebastián et à son énorme agrandissement vers des terrains voisins tels que le Parc de María Luisa, Huerta de la Salud, Audiencia, etc, la Mairie décida de transférer son emplacement à l’actuel Barrio de los Remedios, clôturant ainsi un cicle de (1847-1972).

Vingt-huit années plus tard, son emplacement actuel s’est consolidé. Ses rues portant les noms de toreros ainsi que son parfait arrangement, font du même un lieu parfait.

Mais la foire affronte un nouveau défi. Dû à la croissante demande de nouvelles casetas ainsi qu´à celle du Ministère de Défense pour obtenir quelques terrains de la proximité, un nouveau débat commence pour un nouveau transfert. On parle des terrains du « Charco de la Pava », à côté de la fleuve Guadalquivir, dans la zone où on a célébré l´Expo´92, sera-t-il celui-ci son emplacement final ? nous aurons la réponse dans quelques avrils…

SEMAINE SANTE

La Semaine Sainte tel qu´événement religieux, culturel et sociologique n´est pas un acte éphémère, sinon qu’elle a évolué constamment. En conséquence, la Semaine Sainte actuelle n’a pas beaucoup à voir avec celle d’avant, bien qu´elle maintienne encore son esprit religieux qui fut son origine.

Nous vous présentons par la suite un parcours de son histoire jusqu´à nos jours.

L´antécédent de culte ou procession par les rues surgit à l´occasion de l´institutionnalisation du Chemin de Croix , qui fut introduit par le premier Marquis de Tarifa, Don Fadrique Enríquez de Ribera en 1521 à son retour de laTerre Sainte.

À partir de ce moment elle se celébrait annuellement, étant divisé en différente étapes signalisées avec des croix et des autels portables , établissant ainsi un endroit destiné au culte public.

La législation découlant du Concile de Trento ainsi que la prohibition de quelques cérémonies de la Passion, impulsèrent son règlement et supprimèrent la grande prolifération d´évènements et cortèges publics de cette époque.

En 1604 furent établies les bases pour une meilleure vigilance, ce qui obligea tous les cortèges de suivre un parcours officiel : les cortèges de Séville furent obligés de faire son station de pénitence à la Cathédrale, et ceux de Triana par Santa Ana. Mais ce n´est qu´à partir du XVIIème que les confréries commencent à rassembler au modèle actuel. En ce moment-là les confréries furent groupées par corps de métiers, par chacun des quatre états (clergé, noblesse, bourgeoisie et université) ou par des minorités raciales établies dans la ville (Siècle d´or).

Au XVIIIème siècle les Confréries subirent un petit recul dû aux conflits sociaux, mais il fut dépassé grâce à l ´entrée de nouveaux éléments sociaux ; surgissant ainsi les premières confréries groupées autour d´un quartier.

sur un appui plus prononcé, ce qui créa un effet domino sur les autres bourgeois et commerçants qui s´étaient éloignés de celles-ci.

Au premier quart du XXème siècle surgissent les premiers modèles de cortège processionnal, ce qui donna lieu à la création de diverses Fraternités et à la transformation de quelques unes qui y existaient déjà.

La Semaine Sainte de cette époque reflètait la réalité et l´ histoire de l´Espagne de ce moment ( des révoltes sociaux, affrontements, Guerre Civile).

C´est dans la deuxième moitié du XXème siècle que se forge le modèle actuel de Semaine Sainte, qui donna lieu à une manifestation à renommée universelle, complète et complexe et qui lie étroitement la dévotion avec l´esthétique et la célébration populaire.


Publicado en General | Sin Comentarios »

Seville Guide

septiembre 14th, 2017 por Ana María Rodríguez

PRACTICAL INFORMATION

Business hours

Meal schedules tend to be a bit later than the rest of Europe: breakfast is taken between 7.30 to 10am. Lunch at restaurants is served from 2 to 3.30pm and dinner starts around 9pm until 11pm.

Business hours in the morning are from 10am until 1.30pm and in the afternoon from 4.30pm – 8pm. During the summer months, shops and businesses open a bit later in the afternoon, at around 5.30 or 6pm until 9pm. Department stores operate from 10am until 9pm.without a break.

Postal service

The Central Post Office schedule is from 8.30am until 8.30pm, Monday thru Friday.

Central Office

Address: Avda. de la Constitución, 2

Telephone: 954224760

Stamps can be purchased in any estanco (government licensed tobacconist kiosk).

Electrical adaptors

The current in Spain is 220 – 240 V AC. U.S. electrical appliances require a transformer and adapter, which can be purchased at any electrical or hardware store (ferreterías).

Credit Cards

Most hotels, restaurants and shops in Seville accept all major credit cards such as: American Express, VISA, Mastercard, 4B, Access and Diners Club.

Banking hours

Most banks are open Monday thru Friday from 8.30am til 2 or 2.30pm. Only a few branches are open Saturday mornings. ATM machines are located throughout the city offering 24 hour service, most of which provide international service (Servired, 4B, etc).

HISTORY

Numerous and varied cultures have been present in Seville’s history. The city’s cultural, monumental and artistic legacy gained over the centuries can be admired in it’s streets and museums. Seville’s dark origins have provided legends such as the one that attributes Hercules as it’s founder. In order to appreciate the ancient history of Seville, one must visit the Museo Arqueológico (Archaeological Museum), a spectacular site in itself; once a Pavilion of the 1929 Exhibition. Here one can observe the remains of cultures that traveled from across the Mediterranean, bringing with them their distant gods. The Tesoro del Carambolo is a clear example of oriental influences assimilated by the ancient peoples of Seville.

Neighboring Seville (Alcalá del Río) was the scene of the final battle between Romans and Carthinigans (206 A.C.. It was also the location of the first Roman colony in the region, Itálica. Known as the city of Julia Romula Hispalis, it was named after its founder, Julius Caeser (45 A.C.). He converted Sevillians into Roman citizens with full rights. In the 17th C Rodrigo Caro confirmed, “Although there were once great and suntuous temples and amphitheatres… everything has disappeared”. This is just yet another reason to visit the Museo Arqueológico, where the Roman period is magnficently represented with findings from Itálica.

The figures depicted on the city’s shield of San Leandro and San Isidro (Saints), are accompanied on both sides by the conquering king from the Visigoth period, an era shadowed by the splendor of Islamic Seville, a period which followed immediately afterwards (712).

It was during the Almohade stage era (mid 12th C) when Isbiliya reached its greatest SPLENDOR. The Mesquita Mayor (mosque) was constructed. Its minaret became the symbol of the city. Renaissance touches crowned the building’s tower and soon would become known as the Giralda.

The city was occupied by the Crown of Castile, conquered by King Santo Fernando III in 1248. Mosques were converted into Christian worship places. Even the Great Mosque (Gran Mesquita) fell under the same luck. A century and a half later considering the site’s ruinous state, the ecclesiastic council decided to tear it down and in its place erect the Catedral (Cathedral), the indisputable symbol of Christian Seville. During the medieval period King Don Pedro built the Palacio Mudéjar (14th C) on the grounds of the ancient walled Islamic Alcázar.

After the discovery of America, 16th C Seville became the Puerto de las Indias, monopolizing trade with the New Continent. The Casade la Contratación was set up in the Alcázar and local merchants built the Casa Lonja which centuries later was converted into the Archivo de Indias. Many palace-homes were constructed during this period, such as the emblematic Hospital de las Cinco Llagas, today the seat of the Andalusian Parliament.

The 17th C brought in illustrious and universal artists, though a significantly progressive transfer of economic activity from the Americas to the city of Cádiz soon began to occur. The Hermandades de Pasión (Holy Week Brotherhoods) which has traditionally paraded without any order were soon organized under the Carrera Oficial (Official Route) body. The float’s itinerary was coordinated according to seniority; Semana Santa (Holy Week) was becoming formalized and its profound religiousness was represented in works of artists such as, Montañés, Murillo, Zurbarán and Valdés Leal. Their works can be found today in the Museo de Bellas Artes (Fine Arts Museum) as well as in various city parishes. Important religious structures are built during this period, such as: the church of: la Caridad, el Salvador and the impressive, San Luis de los Franceses. Touches of Seville’s Baroque master, Leonardo de Figueroa, are present in all of these churches.

The 18th C brought the construction of the world famous Fabrica de Tabacos (Tobacco Factory), an industrial building and scene of Carmen la Cigarrera. Another setting from this same opera, the Plaza de Toros de la Real Maestranza (Bullring) was also started, yet was not completed until the end of the following century.

Seville became known as an exotic destination for pioneers of the 19th C Romanticism movement. Some of these artists were excellent designers whose influence on the city remained intact up until contemporary renovations and the opening up of roads in and around Seville took place. This was a response to outward growth which brought down their walls. Two of Seville’s finest examples of Arquitectura del Hierro (Ironwork Architecture) can be found in the Puente de Triana (bridge), inspired by the Carrousel of Paris, the other being the Naves del Barranco.

The 20th C started off with the preparations and promises of a World’s Fair – Exhibition. This event was postponed for various reasons until it finally opened in 1929. This Latin American Expo left us the Plaza de España, the Plaza de América, and various country Pavilions representing different architectural styles and native pre-Colombian cultures. The century closed with yet another Exhibition, the ’92 Expo, which commemorated the 500th anniversary of the Discovery of America. From an urban point of view this event marked not only the incorporation of the Isla de la Cartuja (Island), but also the elimination of two old railroad stations which had become traffic obstacles within the city. The new station of Santa Justa, home of the High Speed Train (AVE) as well as major beltways were constructed for the opening of this fair.

The headquarters of the “Expo” has been converted into a techo-park (Parque Tecnológico). Many important companies also have their main offices on this site.

A few years have passed since that magnificent event and the history of Seville continues; the city is still growing.

ALCÁZAR

Part time Residence of the Royal Family, is the oldest Royal Palace used in Europe. Noteworthy as it is it not mererly a singular palace but a series of palaces, the product of successive reforms that took place since the Arab occupation. Since then various Monarchs have made additions of a wide array of styles, materials used and influences that are commonly found in Seville. Thus these grounds bring together a perfect symbiosis, a succession of architectural styles, from Islamic to neoclassical, incorporating mudéjar elements, gothic, renaissance, plateresque, purist, baroque and rococo; all contributing to the magnificence of this landmark. Noted for its beautiful gardens, patios, rooms and tapestries, it preseves certain relics from the Arab Alcázar. One of the most noted pieces of art is the altar with the statue of the Virgen de los Navegantes, work of Spanish-Flemish artist, Alejo Fernándes. Painted in 1531-1536, it is considered the first artistic representation of the the Discovery of America. It depicts the Virgen protecting under her cape, Columbus, the Pinzón brothers, Carlos I and other personalities from the Casa de la Contratación. The size of those represented differs according to their prerceived importance. The altar is flanked on the sides with effigies of various Saints: San Telmo, San Juan, Santiago and San Jorge. Adjacent to the palace courtyard are peaceful gardens with flowers and plants that recreate a heavenly setting. One can appreciate glimpses of islamic, classical and modern environment with the Doña María del Padilla baths, statues of Mercury and Cenador, which sits on an ancient oratory of a muslim cementary. The New Garden section are modeled after English and Arab-Andalusian landscaping. Due to the exemplary ongoing conservation and restoration program carried out at this site, new historic, artistic and technical findings that provide a greater understanding of the Reales Alcázares are witnessed. The cultural program which frequently offers events of all types is one of the richest in the city.

ARCHIVE OF THE INDES

Its history began in the 16th Century. Until then, market traders would set up their stalls on the Cathedral terrace (the space between the walls and the chain surrounding them). This itself was not a problem, however, church leaders took exception to traders seeking shelter from the rain in the interior of the temple. This created the need for a covered market in Seville, which was communicated to Felipe II who then approved the construction of such a building. Work lasted from 1583 to 1646. Two questions needed to be resolved: The building site: it was built in an area between the Cathedral and the Alcazar which housed derelict buildings. Choose a project: Seville sent to the court a project by Asensio de Maeda, but this was rejected by the King in favour of another by Juan de Herrera. Herrera designed the layout of the building while Juan de Minjares and Alonso de Vandelvira were involved with the construction. The Academia de Bellas Artes Sevillana (Seville Academy of Fine Arts) was founded in this building in 1660, with an initial presidency shared by the artists Murillo and Herrera el Mozo and later taken over by Juan Valdés Leal. In the 18th Century, King Carlos III decided to gather together all the documents related to the New World and created the Archivo de Indias (Indian Archive). In order to serve adequately as a library, certain improvements and alterations were necessary. The archives are among the most important in the world in terms of the volume of documents and information they contain. Special reference must be made to Columbus’ journal, which can also be found here. The Archivo de Indias is outstanding not only for the purpose it serves, but also for the magnificent furniture conserved there. Due to its importance as a source of information, the Archives are constantly visited by scholars from all over the world for a plethora of various purposes and tasks.

PILATOS´HOUSE

Dates from the end of the 15th Century to the beginning of the 16th. The most lavish palace that can be visited in Seville, after the Royal Palace Alcazares. It is of interest not only for its architecture – an admirable joining of Mudejar, gothic and renaissance styles, but also for the roman objects and paintings/furniture from a variety of periods which render it a first class museum. The house was bought in 1483 by a member of the Sevillian nobility, Don Pedro Enríquez, and his wife Catalina de Ribera. His son Don Fadrique, the first Marquis of Tarifa, on return from a pilgrimage to Jerusalem in 1519, realised that the house and the Cruz del Campo (shrine situated on the edge of the city) was the same as that between the ruins of the paetorium in Jerusalem and Golgotha. He was so impressed by this coincidence that he decided to create a Way of the Cross. The first station of this Way of the Cross began at the façade, was marked by a marble cross and represented Christ before Pilate. It would appear that this Via Crucis (Way of the Cross) gave rise to the Sevillian Semana Santa (Holy Week processions). It was believed among Sevillians that the design of the house was a replica of Pilot’s real house, hence its given name. An Arc de Triumph like doorways leads to the initial courtyard- typical among Andalusian mansions, used for the entry of horses and carriages. The stables were distributed along the front part, a spectacular rectangular vestibule bordered with vaults on pairs of column originally destined to serve as a sculpture gallery. A beautiful 19th Century gate leads to the main courtyard, a masterpiece of Sevillian architecture noted for its combination of Mudejar plasterwork, classical columns and a gothic banister. The top floor is accessed by means of a majestic staircase, decorated with iridescent tiling and covered by a spectacular golden wooden dome. The chapel, perhaps the oldest piece, is characterised by its ribbed vaults and gothic mouldings, as well as by the vitro-ceramic walling located in the lounge which serves as vestibule. Valuable sculptures and busts can be found in any corner of the palace, as well as mural paintings by Pacheco, Pantoja, Ribera or the Zurbarán school and beautiful mudejar craftwork. En 1980 The Casa Ducal Medinaceli Foundation was created with the aim of protecting the cultural and historical heritage of the palace. The lounges are used to hold social and cultural events.

HOSPITAL OF THE FIVE WOUNDS (ANDALUCIA PARLIAMENT)

This large building has a rectangular floor and four courtyards defined by a cruciform layout of two large corridors used as infirmaries. The main façade has two parts, with Doric and ionic frames, the upper part being more adorned with a great marble doorway crowned with the coat of arms of the Cinco Llagas foundation, at the side of which are the coats of arms of the founders. The chapel, designed by Hernán Ruiz en 1560, is very representative of his style of work. In order to comprehend the importance, we must go back to 1500, the year in which Catalina de Ribera obtained the papal bull which allowed one of the best known and popular works of charity in 16th century Seville. This work was continued and extended by her son, Don Fadrique Enriquez de Ribera, Marquis of Tarifa, until his death in 1539. A year later, by means of last will/testament, the foundation passed into the hands of the priories of Santa Maria de las Cuevas and the monasteries of San Jerónimo de Buenavista and San Isidoro del Campo; and as such became open to public competition for the construction of a majestic building in the proximity of the Macarena gateway. Tenders were received from prestigious architects of the time and finally granted to Martin Gainza. Gainza began work began in 1546, continued up to his death, and was succeeded by Hernán Ruiz, who was similarly succeeded by the Neapolitan Benvenuto Tortello in1570 and set to work in 1572 on Aresenio de Maeda’s project. The hospital was functional until it was forced to close due to its deteriorating state. The building was restored and is currently used as the seat of the Andalusian Parliament.

UNIVERSITY (TOBACCO FACTORY)

Of all the booming industries of 18th Century Spain none can be compared to that of tobacco. Chewing, inhaling and smoking tobacco had all become fashionable. In order to meet such a demand for these various products, the existing tobacco factory since 1610 in Plaza del Cristo de Burgos was replaced by one which nobody, at its time, could ever have imagined. Work on his building began in 1728, following the project of the military engineer Ignacio Sala. Work was halted in 1731 and recommenced in 1750under the direction of Sebastián Van der Bocht who added to the industrial nucleus various palatial elements such as the façade, the vestibule, stairways and lounges. Other Sevillian craftsmen also took part in this work. The monumental factory was completely finished in 1771 (sic), including the Courthouse, jail and administration buildings. Its capacity was somewhat astounding: a human contingent of thousands of workers, he majority of whom from the 19th century onwards were women, immense workshops and warehouses, aired by 24 courtyards, 21 fountains; 10 wells for cleaning the factory; 116 grinding mills, 40 reviewing mills and 87 pens and stables to keep the nearly 400 animals used for the milling. This public building was devised as a type of citadel: it had a chapel, sentry boxes, drawbridges and a moat. This company, apart from being the largest employer of the female population of 19th century Seville, also spearheaded the world-wide projection of the myth of las cigarreras (cigar makers). In 1949 the installation of the various faculties of the University of Seville in this building was finally approved. This resulted in various alterations in the interior, which still remain today much to the delight of those who visit. Since becoming a university seat, the building houses the chapel of la Hermandad de los Estudiantes (Student Fraternity) containing a beautiful image of Cristo de la Buena Muerte – a work of art by Juan de Mesa, created in 1620.

PLAZA DE ESPAÑA (SPAIN SQUARE)

Built by Anibal Gonzal Built as part of an ample construction programme carried out to commemorate of the Hispano-American Exposition of 1929. It measures 200m in diameter and has an are of 14,000m2. Made in regional style (a mixture of mudejar, gothic and renaissance styles). The materials used were brick and ceramics. Around the square are 48 benches dedicated to the Spanish provinces (situated in alphabetical order), decorated with ceramic tiles, coat of arms and map of the province. There is a small stream around the square crossed by 4 bridges representing the 4 kingdoms which constitute the Spanish crown: Castille, Leon, Navarre and Aragon. These building are currently occupied by various public institutions, the civil service and the military.

PLAZA DE AMÉRICA (AMERICA SQUARE)

This square and the 3 buildings it contains were built by Anabel González (between 1913 and 1916) for the Exposition in 1929. Each building encompasses a different architectural style. Renaissance Pavilion: currently the Museum of Archaeology. Gothic Pavilion: currently belongs to the City Hall and is the seat of one of its delegations. Mudejar Pavilion: currently the seat of the Museum of Popular Arts and Customs. Here we can also find a roundabout dedicated to Miguel de Cervantes, decorated with ceramics depicting some of his most renowned works of art.

MAESTRANZA (BULLRING)

Built by Vincent San Martín in 1761. It is one of the oldest bullrings in Spain. The bullring and the adjacent buildings form an almost triangular block. The construct of the ring forms an irregular polygon arch, both in the exterior as well as the exterior – a consequence of work carried out throughout 120 years. A typical characteristic of the Seville bullring is that is not totally circular, but slightly ovoid. Inside the ring, we can find the Prince’s balcony, made by Cayetano Acosta. The small bullfighter’s chapel of the bullfighters is presided over by an image of the Virgin of Doleres, attributed to John of Astorga, and which enjoys a great devotion among the bullfighters and who have donated numerous offerings. It contains a bullfighting museum with collection of suits, photographs, pictures, etc., related to the world of the bull. Before the construction of this ring, events were held in plaza de San Francisco. At its side is the seat of the Real Maestranza de Caballería (Royal Riding Club) built by Aníbal González in 1929. This is the owner of the bullring. It is a nobility organization that has its origins in the times of the Reconquest and was reorganized in the 17th century. The bullfighting season of begins on Easter Sunday and finishes in September.

CATHEDRAL AND GIRALDA

Since its construction, The Cathedral of Seville cathedral holds the title of Magna Hispalensis, not only for being one of the greatest Gothic building to ever exist, but also for being one of the most colossal of Christendom. It went declared a national monument in 1928 and granted World Heritage status by UNESCO in 1987. Important files and documents are kept in the Colombian library in the Patio de Los Naranjos. Its appearance is product of the successive happened enlargements and transformations since the original mosque was razed by the Almohads. Today the only remains of the mosque can be seen in the Patio de los Naranjos and the minaret (Giralda), from where can enjoy a beautiful view of the city. In the cathedral we can see beautiful works of art. In the High Altar is the greater altarpiece, considered one of the largest in the world (27 m2 high 18 m2wide). In the chapel of San Antonio we can see one of the treasures of the cathedral, A painting by Murillo “The Vision of San Antonio”. The chapel of the Virgin de la Antigua is one of the largest and wealthiest of the 14th century and is heritage of the discovery of America.. The monument to Columbus holds the remains of this discovery. We can also contemplate one of best works of the Sevillian baroque sculpture, the Christ of Mercy, by Martínez Montañés . In the sacristy of the chalices can see paintings of great value, such Goya’s “Santa Just and Santa Rufina”. The main sacristy is of great beauty in itself due to its plateresque style, and works of art such as the Custody de Arfe, used in the Corpus Cristi processions. In the capitular hall, the dome is decorated with paintings of Murillo, and can see ” La Inmaculada”, considered to be the most beautiful of its kind. In the Royal Chapel we can see to the Virgin of the Kings, a 13th century image and patroness of the city, and in an urn of silverware the mummified body of the Ferdinand III King, Saint, conqueror and owner of the city. This tower is one of the few remains of the ancient Almohad mosque. It is considered to be the sister of the Kotobyya in Marrakech and of the great tower of the mosque of Al asan in Rabat. Many others have been constructed in its image. Undertaken by Ahmed ben Baso, the foundations, estimated at 8.5 metres, are of ashlars of stone to a height of a few 2 metres above the current ground level. Some stones proceed from the remains of Roman and Arab constructions. The tower totals a height of 82 metres. The minaret was crowned for four spheres of golden bronze, that were destroyed as a result of earthquake of 1356. Towards 1400 a steeple was decided to be placed. The current bell tower was made by Hernán Ruiz between 1558-1568. This crowned the tower with a series of falling volumes and red ochre plasterings and cobalt/azure tiles were hung. Fresco paintings were made and around 50 embossings were made under the supervision of Juan Bautista Vázques el Viejo. The vane that crowns the site, popularly known as “the Giraldillo” symbolises the victory of the Christian faith and it was the work of Bartholomew Morel, carried out between 1566-1568. This “weathercock” or “giralda” is that which gives the name to the tower by which it is universally known. The Renaissance figure represents to a woman with tunic, a warrior’s shield in one hand, and a palm branch in the other measures 3.5 metres in height and weighs 128 kilos. The new architectural whole reaches a total height of 103 metres due to the body of bells.

COLLEGIATE CHURCH OF EL SALVADOR

In the place that today occupies this church, a mosque was once built in the 9th century during the reign of Abd al Rahman II, known as Idn- Addabas. The remains of this mosque can be seen in the Patio de Los Naranjos and the starting base of the tower. The building of this temple began in 1674 and was carried out by several artists, the last of which was Leonard of Figueroa, between 1696 and 1712, who completed the work, directing the roof of vaults and domes and the interior ornamentation. In one of the lateral exteriors of the church is a ceramic representation of the Christ of the Love, title of the brotherhood of the same name. A piece of 1930s work by Enrique Rodrigo Marble, this is the largest of its kind in Seville since it represents the Christ in his true size. The church has hall like plan, divided in three naves, and subdivided into four sections. On the zone of the transept a dome is raised on scallops, with stone embossed figures of the four evangelists. In this church we must note: The Greater Altarpiece made by Cayetano de Acosta (18th Century) Baroque altarpiece with the effigy of Saint Christopher, carved by Martínez Montañés in 1597. Altarpiece of the Brotherhood of the Christ of the Love. In the center of this altarpiece, of neobaroque style, is the sculpture of the holder, carved by Juan de Mesa between 1618 and 1620. Sacramental chapel, has an cover-altarpiece made by Cayetano de Acosta. In this chapel is the effigy of Our Father Jesus de Pasión, carved by Martínez Montañés. Brotherhood of Passion (Holy Thursday).


Publicado en General | Sin Comentarios »